Coppen Jarges
Coppen Jarges, ook Koppen Jarich (geb. onbekend – overl. Stavoren 26 september 1420), is een belangrijke Fries-Groningse hoofdeling geweest. Hij is gedurende verschillende periodes burgemeester van de stad Groningen. In de Grote Friese Oorlog (1413-1422) is hij een aanvoerder van de Schieringer partij. Jarges is een uit Stavoren afkomstige familie.


Bij soeverein besluit van 28 augustus 1814 wordt mr. Joost Jarges (1760-1845) benoemd in de ridderschap van Groningen en daarmee lid van de Nederlandse adel; hij blijft ongehuwd zodat met hem het 'adellijke geslacht' in 1845 uitsterft [1].


De stamreeks begint met Jarich Coppens, die van 1388 tot 1412 burgemeester van Groningen is en tussen 1413 en 1415 overlijdt. Zijn zoon Coppen Jarges (†1420) is eveneens burgemeester van Groningen, van 1403 tot 1414. Nazaat Eiso Jarges (1546-1584) ondertekent namens de Ommelanden mede de Unie van Utrecht in 1579. Tijdens de slag bij Oterdum in 1584 sterft daar Eisso Jarges, aan de gevolgen van de pest. Wigbold van Ewsum, heer van de Nienoord, leider van de Ommelanden, later tevens de militaire leider, sterft in diezelfde slag aan de gevolgen van een dan opgelopen verwonding, ook zijn zoon verliest hier het leven.

 

 

Het wapen van het geslacht Jarges.

 


De Schieringer Coppen Jarges
In 1413 breekt er Oost-Friesland een felle partijstrijd uit tussen de proost van Emden, Hisko Abdena en de hoofdeling Keno II Tom Brok. Abdena vlucht in oktober naar Groningen waar het stadsbestuur hem geen toegang wil verlenen. In de raad van de stad Groningen is de uit Westerlauwers Friesland afkomstige Coppen Jarges sterk Schieringsgezind. Hij en zijn aanhang zijn het met de gang van zaken niet eens en steunen de proost van Emden, hetgeen de Vetkopers in de raad afkeuren. Tussen beide facties ontstaat een twist die uitloopt tot een volksoproer, waarbij burgemeester Rengers en andere raadsleden worden vermoord. Jarges en de Schieringers verwoesten de Eemsstreken en vernielen in Reiderland de sluizen, waardoor het Eemswater over de lager gelegen landen stroomt. De Dollard krijgt hierdoor een andere vorm. Veel belangrijke Vetkopers rondom de stad slaan op de vlucht en sluiten zich daarna aan bij Keno Tom Tom Brok.

 

Tussen beide facties ontstaat een twist die uitloopt tot een volksoproer, waarbij burgemeester Rengers en andere raadsleden worden vermoord.


Aan het hoofd van de Schieringsgezinde stadsmilitie brandschat Coppen vervolgens de Ommelanden, neemt hij kerkschatten in beslag en plundert hij borgen van Vetkoperse hoofdelingen (jonkers). Het openen van de sluizen heeft ook tot gevolg dat Keno II Tom Brok wordt tegengehouden, als deze met een vloot de Eems bij Farmsum aan wal komt. Op 14 september 1415 valt Groningen alsnog in handen van Keno en moet Coppen vluchten.
Coppen vlucht naar Westerlauwers Friesland, waar hij steun zoekt bij de Schieringsgezinde adel. Als in 1417 een Schieringse krijgsmacht optrekt naar de Ommelanden tegen de geallieerden is Coppen een van de aanvoerders. Dit leger moet de stad Groningen weer in handen van de Schieringers brengen. In de Slag bij Okswerderzijl worden de Schieringers echter verslagen door de ervaren krijgsheer Fokko Ukena, die aan het hoofd staat van het geallieerde leger. Coppen vlucht opnieuw naar Friesland, waar hij enkele jaren later bij Stavoren zal sneuvelen. Zijn nakomelingen keren later terug naar Groningen.

 

Het gezin Coppen Jarges (1510-1564)
We moeten in het vervolg van dit verhaal er rekening mee houden dat er meer nakomelingen het het geslacht Jarges zijn geweest met de voornaam Coppen.

 

Tekening van de borg Alma door Jacobus Stellingwerf (1667-1727) uit Amsterdam. Stellingwerf tekende alleen over en maakte geen eigen tekeningen. De tekening is dus gebaseerd op een andere tekening van Alma. Bron: Beeldbank Groningen circa 1727. Licentie: Publieke Domein. De buitenplaats Alma, een oude borg, aan de Wolddijk bij Bedum (Groningen, Nederland). Alma is een 17e-eeuwse borg met een nog oudere voorgeschiedenis die halverwege de 18e-eeuw wat is teruggebracht van formaat en omstreeks 1850 weer wat is vergroot en toen het huidige uiterlijk heeft gekregen. Een deel van de binnenmuren zal nog van voor 1600 zijn. De grote landbouwschuur, eraan vastgezet, is 19e-eeuws. Tegenwoordig ligt Alma te midden van 53 hectare eigen grond. Alma is nog deels omsingeld en omgracht. De oostgracht is echter gedempt en de zuid- en westsingel zijn geëgaliseerd (foto onder).

Tekening van de borg Alma door Jacobus Stellingwerf (1667-1727) uit Amsterdam. Stellingwerf tekende alleen over en maakte geen eigen tekeningen. De tekening is dus gebaseerd op een andere tekening van Alma. Bron: Beeldbank Groningen circa 1727. Licentie: Publieke Domein. De buitenplaats Alma, een oude borg, aan de Wolddijk bij Bedum (Groningen, Nederland). Alma is een 17e-eeuwse borg met een nog oudere voorgeschiedenis die halverwege de 18e-eeuw wat is teruggebracht van formaat en omstreeks 1850 weer wat is vergroot en toen het huidige uiterlijk heeft gekregen. Een deel van de binnenmuren zal nog van voor 1600 zijn. De grote landbouwschuur, eraan vastgezet, is 19e-eeuws. Tegenwoordig ligt Alma te midden van 53 hectare eigen grond. Alma is nog deels omsingeld en omgracht. De oostgracht is echter gedempt en de zuid- en westsingel zijn geëgaliseerd (foto onder).


Foto: maart 2011. Auteur: Hardscarf. Rijksmonument nr. 8734. Licentie: Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported license.

Foto: maart 2011. Auteur: Hardscarf. Rijksmonument nr. 8734. Licentie: Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported license.


We vervolgen met Coppen Jarges, die rond 1510 wordt geboren en in 1564 sterft. Hij is de zoon van Eiso Jarges en Rixte Alma en huwt in 1535 Eva Froma (1521/1522-1591), dochter van Schelte Froma en Teteke ter Lane. Eiso Jarges is een zoon van Albert Jarges en Berneer Alma; Rixte Alma is een dochter van Redmer (Her) Alma en Teteke N.N. en kleindochter van Ike Alma en Biwe N.N. Schelte Froma is ten slotte een zoon van Lubbe Hillema alias Froma.
Dat deze Coppen Jarges vermogend is geweest, getuigt van het feit dat hij in 1550 een toren laat bouwen in Saaksum:

 

DESSE TOREN IS GHEMAKET DOER BEIN T ORDONNANTYE COPPEN JARGHES IN TYDEN, DO HEER BERENT STOREM PASTOER WAS. 1550.
Wapens: Rechts: Gedeeld: I Jarges; II Froma [1]. Links: Heeralma.
N.B. Boven laatste letter van BEIN afkortingsteken in vorm van z of 3.
Afgebeeld: OGK, blz. 195, 196. Coppen Jarges op Heralma, zoon van Eiso Jarges en [Rixte] Alma, dochter van Redmer Heralma, gehuwd 1535 Eva Froma. Zie: NAB, 1943-1948, blz. 76. GDW, blz. 130, nr. [445]
[2].

 

Kinderen van Coppen Jarges en Eva Froma zijn:
1. Rixte, geboren  1536, genoemd naar grootmoeder Rixte Alma († 1516).
2. Teteke, geboren  8 jan. 1538, genoemd naar grootmoeder Teteke ter Lane († 1524).
3. Biwe, geboren  1539, genoemd naar betovergrootmoeder Biwe N.N.
4. Lubbe, geboren  1541, jong overleden, genoemd naar overgrootvader Lubbe Hillema alias Froma (laatst vermeld in 1512).
5. Lubbe, geboren  1542, jong overleden, genoemd naar broer Lubbe Jarges (sub 4, † 1541/1542).
6. Wenneken, geboren  1543, jong overleden, genoemd naar overoudtante Wenneken Alma († 1539).
7. Eiso, geboren  1546, genoemd naar grootvader Eiso Jarges († 1531).
8. Bernier (dochter), geboren  1548, genoemd naar overgrootmoeder Berneer Alma († vóór 1514) of eventueel naar halve oudoom Berneer Jarges († 1558).
9. Schelte, geboren 1550, genoemd naar grootvader Schelte Froma († in of kort na 1524)
10. Coppen, geboren 1553, wellicht genoemd naar vader Coppen Jarges of naar betovergrootvader Coppen Jarges († tussen 1502 en 1513).
11. Hille, geboren 1556, genoemd naar oudtante Hille Jarges († na 1532).

 


Eiso Jarges

 

ANNO 1656, DEN 14 MAY, IS DESE KERCKE GEREPARERT ALS DE E. E. JUNCKER EYZO JARGES ENDE DE ER. DERCK WIRSEMA MEDE COLLATOREN ENDE KERCKVOOGDEN WAEREN ENDE DE ER. HINRICUS ELBERGIUS PASTOOR WAER.


Nog een Eiso Jarges treffen we rond 1656 aan in de kerk van Baflo. Daar vinden we een gedenksteen met de tekst:

 

ANNO 1656, DEN 14 MAY, IS DESE KERCKE GEREPARERT ALS DE E. E. JUNCKER EYZO JARGES ENDE DE ER. DERCK WIRSEMA MEDE COLLATOREN ENDE KERCKVOOGDEN WAEREN ENDE DE ER. HINRICUS ELBERGIUS PASTOOR WAER.
N.B. Afgebeeld: GDW, plaat XI, GDW, blz. 174, nr. [701].


Zoals we kunnen lezen zijn Jonker Eiso Jarges en Derck Wirsema mede-collatoren en kerkvoogden, als op 14 mei 1656 de kerk te Baflo wordt ‘gerepareerd’. Dat is niet zo vreemd, want ten zuiden van Baflo heeft de borg Sassema of Sasma gestaan. De eerste genoemde borgheer is Siger Sigers up Sassema (in 1607 overrechter). Zijn opvolger Dirk Upkema is heer van 1619 tot 1650, als het 'huis met hovinge, poorten, singel, grachten, gerechtigheden en 32 jukken land' per openbare verkoping wordt verkocht aan Schelto Jarges. Deze heef het aanvankelijk gekocht voor zijn moeder, maar wordt twee jaar later zelf eigenaar. Tussen 1684 en 1688 wordt zijn weduwe Johanna Alberda genoemd als borgvrouw en tussen 1689 en 1690 haar zoon Coppen Jarges (een andere als die op de borg Meima heeft gewoond). Hoewel hier geen Eiso Jarges wordt genoemd, is het wel duidelijk dat de kosten voor de ‘reparatie’ van de kerk in 1650 binnen de familie is gebleven.

 


Geschiedkundige achtergronden
Op zichzelf is een stamboom van voorouders een tamelijk saaie opsomming van droge feiten. Om deze meerzeggend te maken voegt het ook toe om te proberen deze feiten te plaatsen in een historische context. In het laatmiddeleeuwse Europa bestaat het wereldlijk gezag uit een aantal koningshuizen met daaraan onderhorige edelen in een afdalende hiërarchie.


Tot 1579 zijn de Nederlandse provincies zo formeel onderworpen aan de Spaanse koning Philips II, waartegen echter al sinds 1568 een bevrijdingsoorlog wordt gevoerd. In 1579 komt aan dit formele gezag een einde door de ondertekening van de Unie van Utrecht. Deze ondertekening vindt plaats door vertegenwoordigers van de Staten van de deelnemende provincies. In de Staten van belangrijke provincies als Holland, Zeeland en Utrecht is de invloed van de steden relatief groot. De besturen van deze steden zijn tamelijk oligarchisch georganiseerd, waardoor de feitelijke macht wordt uitgeoefend door een kleine groep regentenfamilies. In de meer landelijke provincies is de invloed van adellijke families met aanzienlijke landbezittingen  doorslaggevend.


Hoewel dit tamelijk verschillend is van wat wij heden onder een democratie verstaan, zijn de Nederlandse Zeven Provinciën in het koninklijk hiërarchisch georganiseerde Europa een grote uitzondering geweest. Friedrich Schiller, de bekende Duitse dichter uit 1788 en anderen hebben dit uitzonderlijke fenomeen daarom uitgebreid bestudeerd.
De Unie van Utrecht blijft de basis van de organisatie van de Nederlandse staat tot 1795, het aantreden van Franse overheersing. Fransen die zelf een omwenteling hebben ondergaan door de traumatische ervaring hun koning in 1793 te onthoofden.


Maar de organisatie van Groningen verschilt weer aanzienlijk van die van de overige provincies. In de Staten zijn de Stad en de Ommelanden vertegenwoordigd.


In 1579 is de Stad echter nog op Spaanse hand en de Unie van Utrecht is daarom alleen door de vertegenwoordiging van de Ommelanden ondertekend.
Vanuit de Ommelanden worden de Staten aangestuurd door een Landdag, waarin zowel eigengeërfden als beklemde meiers zitting kunnen hebben, die over meer dan 30 gras land kunnen beschikken, waarop zij ook meer dan twee jaar wonen. Een door vermogensdrempel en aanwezigheid beperkte vorm van democratie dus, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen jonkers (voornamelijk landeigenaren) en boeren (voornamelijk beklemde meiers).

 


Eiso Jarges (1546-1584)
De akte van de Unie van Utrecht wordt voor de Ommelanden ondertekend door Eiso Jarges (1546-1584) van Saaksum. De lijntjes om zijn handtekening zijn vermoedelijk zijn huismerk. Zijn zoon Coppen Jarges (1575-1642) trouwt met Anna van Hulten.


Een interessante tijdgenoot is Abel Eppens (1534-1596), die in zijn Kroniek een  direct inzicht geeft in de dagelijkse gang van zaken in die tijd. Abel woont op het Bolhuis te Wirdum. De familie Wijk op Ernstheem in Maarhuizen zijn rechtstreekse afstammelingen, evenals (wat verderaf) de families van Bolhuis en van Zeeburgh.


Uit het oogpunt van staatsrechtelijke organisatie is 1579 zo een interessant jaar om als boven het verband te leggen tussen landspolitiek, contemporaine lokale kroniek en familiehistorie. Tegelijk is het genealogisch een afbreukmoment, omdat vroegere gegevens onduidelijk en ook weinig nauwkeurig zijn. Mogelijk zijn de vastleggingen van geboorte, huwelijk en overlijden van burgers voor die tijd te fragmentarisch om een bruikbaar inzicht te geven in de historie van families.


Voor 1579 kan zulk een inzicht mogelijk beter worden bereikt door het onderzoeken van de micro-historie van bijvoorbeeld de kerk te Maarhuizen, de voorwerken van het klooster te Aduard (waaronder Schilligeham), dat klooster zelf en de verbanden daartussen.


Demografisch is de genealogie van grotere Groningse boeren zeer interessant tot omstreeks 1880 door de zeer lage emigratie en immigratie. Daardoor bestaan er dan ideale omstandigheden voor het samenstellen van bevolkingsstatistiek en sterftetafels.


Daarna zwerft een deel van deze bevolking uit, waarbij de aanleg van treinverbindingen en opleiding zeker een rol hebben gespeeld.


Op grotere bedrijven werken toch vaak tien man of meer vast personeel en nog de nodige seizoen krachten. Daardoor is met name daar de boer meer manager, inkoper en financieel beheerder dan meewerkend voorman. Vaak heeft hij daarvoor een bedrijfsleider.


Mogelijk heeft dit de overstap van landbouwers zonen naar vrije beroepen en managementfuncties, ook buiten Groningen, vergemakkelijkt.


Waarschijnlijk onderscheidt de Groninger zich dan door een gemoderniseerde toepassing van hun baas op eigen erf model van het Hollandse Poldermodel, dat uiteindelijk terug is te voeren op de oligarchische structuur van de invloedrijke steden in die provincies tot 1795.

 

We zetten een aantal ‘Jarges’ op een rij, waarbij moet worden aangetekend dat dit ze lang niet allemaal zijn:


Jarich Coppens, (1388-1415), burgemeester van Groningen

Coppen Jarges (1370-1420), burgemeester van Groningen.
Hij is gehuwd met Odekijn Schelge. Uit het huwelijk worden zes kinderen geboren: Hille (1415-1490), Herman (1400-ca 1455), Albert (1401-1454), Evert (1404-ca 1500), Reyner (?-ca 1584) en Jarch (?-ca 1486).

Coppen Jarges, circa 1480; leeft op 3 juli 1486.
We lezen: ‘Reyner Jerges abdis, de kloosterlingen en de ‘oldermans’ van het klooster van Assen geven kwijting aan Coppyn Jerges voor de laatste 100 Arnemsguldens van de 300 guldens, door hem bij de opname van zijn dochter als non toegezegd volgens de transfix’ [3].
En op 11 mei 1484: ‘eynt Jarghes abdis, de kloosterlingen en de ‘oldermans’ van het klooster van Assen geven kwijting aan Coppyn Jarichs voor de 200 Arnemse guldens, die hij afbetaald heeft op de medegave, aan de abdij bij de opname van zijn dochter Alijt toegezegd; en nemen akte van zijn belofte, de overige 100 gulden in 2 termijnen te zullen voldoen’ [8].

Coppen Jarges (1510-1564), geh. met Eva Froma. Deze Coppen is een zoon van Eyso Jarges (1477-1530) en Rixt Redmersdr. Heralma (zie boven).

Evert Jarges (?-17-07-1535)

Eiso (Eyzo) Jarges (1546-1584), mede ondertekenaar Unie van Utrecht in 1579 namens de Ommelanden, gehuwd met Baudewina Coenders. Elders lezen wij dat hij getrouwd zou zijn met Lucke Entens (ca1545-1603). Hij is een zoon van Coppen Jarges en Eva Froma. Uit het huwelijk worden drie kinderen geboren: Coppen (1575-1642), Schelto en Bauwe.

 

Coppen Jarges (1575-1642). Hij wordt geboren op 27 maart 1575 op de Heralmaborg te Saaxem en overlijdt op 1 oktober 1642 te Groningen, waar hij wordt begraven in de A-kerk. Hij trouwt Anna van Hulten in 1617, geboren 24 september 1592 te Leeuwarden en overlijden 18 augustus 1652. Ook zij wordt begraven in de A-kerk te Groningen (23 augustus 1652). Deze Coppen heeft gestudeerd in Franeker (1593), Leiden (1598), Orléans (1600) en Padua (1605). Hij wordt rentmeester van Stad en Lande en Ontvanger Der Gemene Landsmiddelen in Wedde en Bellingwolde. Uit het huwelijk worden zeven kinderen geboren: Lucretia (1618), Teetke (1619), Helena (1620), Teetke (1622), Eisso (1623), Schelto (1631) en Clara 1635).

Eisso Jarges, zoon van Coppen Jarges (1575-1584) en Anna van Hulten (1592-1652), geboren in 1623 te Groningen en overleden op 15 november 1691 op 68-jarige leeftijd. Hij is jonker en hoveling op Meyma en studeert in Groningen (1647) en Utrecht (1649). Hij trouwt in 1653 Helena Ubbena die in 1655 overlijdt en waarmee hij twee kinderen krijgt: Coppen Jarges (1654-1654) en Elisabeth (1655-1655). In 1658 trouwt hij voor de tweede keer. Nu met Boudewina Coenders (ca 1632-1691), een dochter van Johan Coenders (luitenant) en Aeltjen Hillebrandes. Uit dit huwelijk worden ook twee kinderen geboren, namelijk Coppen (1659-1705) en Johan (1661-?),
-Coppen Jarges (1602-1635)

Coppen Albert Jarges. Van hem kom ik tegen dat hij op ‘Allema’ woont en op 16 april 1626 trouwt met Lucretia Clants [4]. Met Allema wordt de borg Alma bij Bedum bedoeld.

 

Formsma schijft over Jarges het volgende inzake de borg Alma te Bedum:

Alma of Allenia is de naam van een geslacht dat in de 15e en 16e eeuw bekend was in Stad en Ommelanden. Sommige leden noemden zich ook Heralma. Er waren verschillende heerden die deze naam droegen. De onderlinge samenhang is niet altijd duidelijk. Zo is het verband tussen de heerd(borg) Alma onder Bedum en de familie Alma niet bekend.


Onder de namen van de edele heerden van de rechtstoel Bedum en Onderwierum komt die van Alma niet voor.
Voor het eerst wordt Alma genoemd in 1626, wanneer Teteke Jarges ‘toe Alma’ trouwt met Johan Lewe. De familie Jarges komt echter al vroeger voor te Bedum. We weten, dat de Groninger raadsheer Albert Jarges in maart 1575 te Bedum is overleden. In 1584 wordt onder Bedum een heerd opgemeten, afkomstig van Christopher van Ewsum, die aangekocht is door de kinderen van wijlen Albert Jarges en de weduwe van Johan Jarges, Teteke Ubbena. Op een voor Bedum in 1601 gegoten klok komen de alliantiewapens Jarges en Solckema voor, van het echtpaar Jan Jarges-Maaike Solckema. In al deze gevallen weten we niet of het hier gaat om bewoners van Alma, want de familie Jarges bezat ook het naburige Folkerda, althans de rechten daarop. (zie ook: De borg Folkerda bij Bedum. Red.).


Zoals gezegd, trouwde in 1626 Teteke Jarges ‘toe Alma’ met Johan Lewe. Hun dochter, in 1627 geboren, werd echter niet te Bedum gedoopt. Mogelijk waren zij katholiek. Na de dood van Johan Lewe in 1635 hertrouwde Teteke in 1637 met Philippus Wytsma. afkomstig van Ee in Friesland. In de kroniek van Van der Houve van 1636 komt zij als weduwe van jonker Johan Lewe voor als eigenaresse van een van de niet bij name genoemde borgen van Bedum, waarschijnlijk wel Alma, want haar tweede man komt in 1661 ‘op Alma’ voor als collator van Bedum.
Vreemd is echter, dat in 1656 Johan Doenga  op  Alma tot Bedum en  Onderwierum  jonker hoofdeling genoemd wordt.


In 1675 verkochten de crediteurs van wijlen Teteke Jarges, weduwe Philippus a Wytsma, de plaats of borg Alma in zijn singels en grachten ongeveer zes grazen groot met hovingen, grachten, plantages en 52 grazen land, met gerechtigheden, gestoelten en kelder in de kerk. Koper werd  majoor Verrucii, die het jaar tevoren ook eigenaar was geworden van Schultinge. Zijn weduwe verkocht in 1695 de borg Alma aan Jacob Frans van  Alkemade en zijn vrouw Anna  Maria  van Berum. Na hun  dood, respectievelijk in 1697 en 1700, volgde een langdurig proces over de erfenis, tot 1734. Adellijke bewoners treffen we in die tijd niet meer aan. We weten, dat in 1703 Arent Heres, op Alma wonende, overleed. In 1763 is sprake van de verkoping van de behuizing en schuur Alma met de beklemming van 67  grazen land. Dat het toch nog een aanzienlijke boerderij was blijkt uit een advertentie van 1797, dat op 6 februari publiek zal worden verkocht de deftige boerenplaats Alma, bestaande vier royale vertrekken, waarvan één  behangen en één  beschilderd, met ruime uitzichten, klein keukentje, een verwulfte kelder, met een  ruime ‘pandekte’ schuur, waarin karnhuis, melkenkamer  en stalling, nog een apart wagenhuis, grote tuinen met een ‘boisseau’ (berceau?-=priëel) rondom, ruime  kamp, sterrebosje, visrijke grachten met singels eromheen, met het recht van de vaste beklemming  van 76 grazen groen- en bouwland.
Ook thans (1973, Red.) is in het voorhuis de oude borg nog te herkennen.


 

ANNO 1602, DEN 28 NOVEMBRIS SNACHTS, IS DE ED. ERENTRYCKE VROWE TETEKA JARGHES, WED WE DES ED. ENDE ERENTFESTEN JOHAN JARGHES, ONTSLAPEN, WELKEERS ZELE GODT GENADIH SY.

Overlijden Tekeke Jarges, 28-11-1602.

Wapens: Rechts: Jarges. Links: Ubbena, doch snijlijn ontbreekt. Helmtcken: Jarges [1].

 

TURBATA ERAM, SED NON PERTURBATA QUIA VULNERUM CHRISTI FUI RECORDATA.
N.B. Teteke Ubbena, weduwe Johan Jarges. Zie: NLW, 1967, k. 128. GDW, blz. 191, nr. [802] [5 ].

 

DE EDELLUYDEN ENDE PREDIKANT / OOCK DIE KERCKVOOGHDE MET VERSTANT / HEBBEN DEES KLOCK DOEN GHIETEN VRY / ANNO 1601, DEN 8 JULY. 1 CORNELIUS AMMEROY M.F.
Wapens: Rechts: Van Isselmuden. Links: Clant.Wapens: Rechts: Jarges. Links: Solckema.
N.B. Sedert 1911 niet meer aanwezig. Vermeld: HMD. Ernst van Isselmuden en Lutgert Clant, op Schultinga. Jan Jarges en Maeycke Solckema op Alma of Folkerda. Zie: OBS, blz. 63, 70. Arnoldus Rombachius, predikant. Zie: Heino Hermannus Brucherus. Gedenkboek van Stad en Lande. Groningen 1792. Blz. 119. GDW, blz. 190, nr. [795].

 

Coppen Jarges van Meyma (1659 - 1705), jonker, ritmeester en kapitein, gehuwd met Anna Eleonora Ripperda (1667-1701). Coppen is geboren aan de Vismarkt te Groningen en wordt gedoopt in de Martinikerk aldaar.  Hij is een zoon van Eijse (Eisso) Jarges van Meijma en Bouwina Coenders. Hij is jonker met Meijma, ritmeester en kapitein. Hij trouwt in juli 1686 met de in Bourtange geboren Anna Leonora Ripperda, gedoopt in Minden (Dld) op 21 april 1667. Zij overlijdt op de Meijmaborg te Baflo op 29 februari 1701 en is een dochter van Joachim Adolph van Ripperda en Odilla van Loë. Uit het huwelijk worden zes kinderen geboren. Gijsbert Herman, Jan Rudolf, Carel Victor, Bouwijna Petronella en Daniel ‘ [6 ].

 

Het huwelijk van Coppen Jarges van Meyma (1659-1705) en Anna Eleonora Ripperda (1667-1701) in juli 1686.

Het huwelijk van Coppen Jarges van Meyma (1659-1705) en Anna Eleonora Ripperda (1667-1701) in juli 1686.

 

 

Naamplaten van doodkisten Baflo.

COPPEN JARGES OBIIT ANNO 1654, DEN 4 JUNY.

Coppen Jarges, 04-06-1654.

Wapen: Jarges. GDW, blz. 175, nr. [706].

 

VROUW AVE JARGES GEBOREN UBBENA STORF 1660, DEN 29 APRILIS, OUDT 22 JAREN.

Ave Jarges, geboren Ubbena, de echtgenote van Schelto Jarges.

Wapen: Ubbena. N.B. Vrouw van Schelto Jarges. Zie: NLW, 1967, k. 132. GDW, blz. 175, nr. [707].

 

JUFFER ANNA JARGES STORF 1660, DEN 1 SEPTEMBR, OUDT 18 MAANDEN.
Overlijden Anna Jarges, 01-09-1660, 18 maanden oud.
Wapen: Jarges. GDW, blz. 175, nr. [708].

 

1691, OBIIT DEN 15 NOVEMB. BOUWE JARGES GEBOREN COENDERS, VROU VAN MEYMA ETC. AETATIS 5[9].

Bouwe Jarges, geboren Coenders, echtgenote van Eisso Jarges.

Wapen: Coenders [1]. N.B. Misschien 58 in plaats van 59. Vrouw van Eisso Jarges. Zie: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, 17, 1963, blz. 179.176. GDW, blz. 175, nr. [709].


JR. EYZO JARGES VAN MEYMA OBIIT DEN 12 OCTOBR 1695, AET. 11 JAAR, 6 MAEND.
Jonkheer Eisse Jarges, 12-10-1695, Oud 11 jaar en 6 maanden.
Wapen: Jarges. GDW, blz. 176, nr. [710].

 

VROUW ANNA LEONOORA JARGES GEBOOREN RIPPERDA, VROUW VAN MEYMA, OBIIT DEN 28 FEBRUAI 1701, AETA. 33.

Anna Leonora Jarges, geboren Ripperda, echtgenote van Coppen Jarges, 25-02-1701.

Wapen: Ripperda.N.B. Vrouw van Coppen Jarges. Zie: RIP, Blatt 7, Nr. 153. GDW, blz. 176, nr. [711].

 

BOUWYNA PETRONELLA JARGES VAN MEYMA, OUT VYF JAAREN, GESTORVEN DEN 27 AEBRUARY 1704.
Bouwina Petronella Jarges, oude vijf maanden, 27--02-1704.
Wapen: Jarges. GDW, blz. 176, nr. [712].


COPPEN JARGES, HEER VAN MEYMA, RITMR. VAN EEN COMP. CAVALL., OBIIT DEN 17 JANW. 1705, AET. 46.
Coppen Jarges, heer van Meima, ritmeester, overl. 17-01-1705
Wapen: Jarges. GDW, blz. 176, nr. [713].



Gijsbert Harmen Jarges (1692-1735), gehuwd met Josina Elisabeth Clant van Aijkema.

Coppen Jarges (1666-1713), gehuwd met Clara Alberda van Bourtange (1686-1732) [7].

Gijsbert Herman Jarges (1692-1744), ritmeester, commandant van Delfzijl


Jan Rudolf Jarges (1694-1754) is geboren aan de Boteringestraat in Groningen en wordt als Jan Roelef gedoopt in de Nieuwe Kerk aldaar op 11 januari 1694. Hij is overleden en begraven te Delfzijl op 12 april 1754 als zoon van Coppen Jarges en Anna Leonora Ripperda. Hij is ritmeester geweest en later commandeur van het fort Bourtange. Jan is getrouwd te Lutjegast op 01 oktober 1732 met Catharina Elisabeth de Hertoghe, gedoopt (als Katharina Elisabeth) te Grootegast op 12-07-1705, overleden aan de Schoolholm te Groningen, aldaar begraven op 05 april 1766. Ze is een dochter van Unico Michiel de Hertoghe en Ulsia Maria Clant. Uit het huwelijk worden acht kinderen geboren: Margrieta Elysabet, (1734), Amelia Wilhelmina (1736), Unico Michiel (1738), Margaretha (1740), Jan Roelof (1741), Unico Michiel (1741), Cecilia Ulcea en Odella.

Coppen Jarges (1727 – Groningen 1792), officier in Statendienst, laatstelijk generaal-majoor. Hij is getrouwd op 31 maart 1758 [8] met Anna Maria Hima Juliana Lewe van Mattenes (1729-1792). Getuigen zijn aan bruidszijde: W.P. Lewe, zuster, A.A. Lewe, zuster, E.C.E. Lewe, zuster; aan bruidegomszijde: Joost Coenders, gevolmachtigde, Allerdt Joost Jarges, broer, C.E. de Hertoghe, moei, Jan Roelof Jarges, man van C.E. de Herthoge.

Jhr. mr. Joost Jarges (1760-1845), lid van de Tweede Kamer en van de Eerste Kamer, benoemd tot de ridderschap van Groningen, ongehuwd, waarmee het geslacht in 1845 uitsterft. Hij is overleden op 6 januari 1845 te Groningen en is dan 84 jaar [9]. Zijn ouders zijn Coppen Jarges, generaal majoor en Anna Maria Hima Juliana  Lewe van Mattenesse.

 


Jonkheer meester Joost Jarges, 1760-1845
Hij is te Groningen geboren op 25 juli 1760, overlijdt aldaar op 6 januari 1845. Jarges is een lid van de familie Jarges en een zoon van generaal-majoor Coppen Jarges (1727-1792) en Anna Maria Hijma Juiliana Lewe (1729-1792), lid van de familie Lewe. Hij is zijn leven lang ongehuwd gebleven.


Joost Jarges studeert rechten te Groningen van 1777 tot 1783 en promoveert in 1783 op de dissertatie ‘De justitia et usu poenarum capitalium, praesertim apud veteres Germanos’. Hij is in 1786 en vanaf 1795 gecommitteerde voor Groningen in de Generaliteitsrekenkamer. In de jaren 1796 tot 1798 is hij gedeputeerd representant van Groningen en van 1802 tot 1807 lid van het departementaal bestuur van Stad en Lande van Groningen.


Jarges is van 1806 tot 1810 lid van het Wetgevend Lichaam voor het departement Groningen. Hij is lid algemeen bestuur van het departement Wester Eems, van 10 januari 1813 tot december 1813. In 1814-1815 is hij voor de provincie Groningen lid van de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden. Van 1815 tot 1831 is hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Groningen, om daarna lid te worden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (1831) wat hij blijft tot zijn overlijden op bijna 85-jarige leeftijd.


Tijdens de Republiek is hij staatsgezind en ten tijde van Willem I en Willem II regeringsgezind.


Op 13 februari 1807 wordt hij benoemd tot ridder in de Orde van de Unie en op 7 maart 1812 wordt hij Ridder in de Orde van de Reünie om daarna nog Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw te worden. Vanaf 28 augustus 1814 krijgt hij het predicaat Jonkheer. Van 1823 tot 6 januari 1845 is hij lid Amortisatie-Syndicaat [10].

 

 

In het Klooster
Gezien bovenstaande lijst is het wellicht overbodig te noemen dat het geslacht Jarges zich in alle geledingen van diverse beroepen in Groningerland en ver daarbuiten hebben opgehouden. Zo wordt in 1516 een Everardus Jarges genoemd, die dan pastoor is van de Martinikerk (parochie) te Groningen. Ook op 29 oktober 1520 wordt hij daar als pastoor genoemd.

 

Verder vinden we in 1486 en 1502 een Reinolt Jarges. Hij is dan abdis van het klooster te Assen.


Leuk om te weten is ook dat in dat jaar ook een non in het klooster woont die de naam draagt Alyt Jarges, een dochter van Coppen Jarges. Coppen schenkt de abdij van Assen rente op de aankoop van een stuk land te Adorp:


‘De abdij te Assen vestigt - voor een van Coppijn Jarghes ontvangen som geld, bestemd voor de aankoop van land te Adorp - voor hem een rente van 6 gouden Rijnsguldens; waarop Coppijn die rente legateert aan de abdij 'voir eyn ewich testament', om op de medegedeelde wijze te besteden (ten dele ten behoeve van zijn dochter Alijt Jarghs non te Assen). Met bepaling dat bij gebleken moedwillig verzuim van het voorgeschrevene de erfgenamen de rente zullen mogen geven aan een ander klooster onder dezelfde verplichtingen’ [11].

 

Hierin lezen we ook dat zijn dochter Alyt zich in het klooster aldaar bevindt, geschreven als Alyt Jarghes, non te Assen, dochter van Coppen. Op 8 april 1516 lezen we over Everhardus Jarges het volgende:


‘Wilhelmus Frederici persona en Euerhardus Jarges, doctores, en pastoors der St.-Martini- en St.-Walburgiskerken te Groninghen, verklaren, dat Mr. Odgerus Purmer, vicaris van het St.-Michaelsaltaar ‘in unser kercken’, erkende de aflossing door de abdij te Assen van een rente van 50 kromstaarten uit het huis van Enne Bebinghe in de Oesterstraet’ [12].

 

Een deel van de tekst op perkament geschreven.

Een deel van de tekst op perkament geschreven.

 

Een verkorte transcriptie van de tekst op perkament neergepend luidt (transcriptie):


‘Wy Reyner Jerges inder tyd abdisse gemene convents luuden mitten oldermans des cloesters van Assen bekennen mit dessen openen breve voir ons ende naekomelingen (sic) dat ons Coppyn Jerges guetlycken ende wall betaelt hevet die laetste hondert arnems guldenen vanden dren hondert guldenen als Coppyn voirgenoemd onssen convente mit Alyde synre dochter onsse convents medesuster in voirleden tyden uut gueder gunst toegesecht hevet toe gevende omme Goids willen nae inholt des breves daer desse breeff doer getogen is. Alsoe dat wy Coppijn voirgenoemd die drehondert guldenen voirgenoemd bedancken alinge ende all gueder betalinge sonder alle argelyst. In Oirkonde der werheyt soe hebben wy Reynolt abdisse gemene conventes luiden mitten oldermans des voirscreven cloosters onsse convents segell an dessen breeff gehangen. Gegeven inden jaer ons heeren dusent vierhondert sessendetachtentich up sunte Mertens Avende transslacionis’.


De exacte tekst van 29 oktober 1520 luidt [13]:


‘Wilhelmus Frederici, persona van het personaatschap, overman, en Everardus Jarghes, pastoors van Sunte Merten in Groningen, Rodolphus Mepsche, pastoor te Beem, Coerdt Coenrades en Reynt Duerts, burgemeesters van Groningen, verklaren dat Elbertus, abt, Rodolphus, prior, Theodericus Hoerneken, kleedmeester, Johannes Rees, senior, en Jacobus Rees, kapelaan, als gevolmachtigden van het convent te Aedwerdt enerzijds en Johan Gaykema met vrienden en verwanten, te weten Derck Schaffer, Luerdt Cather, Focko Aykumma, Melle Aykumma, Eltet te Lellens, Fecko Ompteda, Eyse te Lellens, Remmert te Lellens, Menolt te Lellens, Allert Clant, Merten Vrylincks, Johan Tedema, Johan Hoernken, Willem Wicheringhe, Johan Scatter, Menne en Eyllert Doema, gebroeders, en Jemme Alma anderzijds, de vete, ontstaan door de moord op de gebroeders Henrick en Frederick Gaykumma, gepleegd in het klooster te Aedwerdt, hebben bijgelegd onder nader omschreven voorwaarden’.


De volledige tekst, waaraan negen zegels hangen van Everardus Jarghus, Rudolphus Mepsche, Coerdt Coenrades, Reynt Duerts, Elbertus, het convent van Aduard, Derck Schaffer en Focko Aykumma. Het zegel van Wilhelmujs Frederici is helaas verloren gegaan:


Zegel van Everhardus Jarges uit 1516/1520.

Zegel van Everhardus Jarges uit 1516/1520.

 

‘Wij Wilhelmus Frederici, artium et medicine doctor, persona der personaetschap, oeverman, Everardus Jarghes, legum doctor, pastoren der kercken to Sunte Merten in Groningen, Rodolphus Mespche, utriusque iuris doctor, pastoer der kercken to Beem, Coerdt Coenrades ende Reynt Duerts, borghemesteren in der tijdt in Groningen, arbitratoren ende segghesheren in der nagescr. saeken, bekennen ende doen kondt myt dessen openen breve dat nae den die weerdighe ende relligiose heren Elbertus, van der lijtsamheit Godes abbet, Rodolphus, prior, Theodericus Hoerneken, cleetmester, Johannes Rees, senior, Jacobus Rees, cappellaen, vulmachtich van den ghemene conventslueden des convents to Aedwert Sunte Berndes oerde soe wij de sulve hoere vulmacht in hoerens convents ghenoechsame segel ende breve daer aff gheseen ende ghelesen hebben, up de ene, ende de erberen ende vromen Johan Gaykema myt syne vrunden, swaghers ende maeghen, nementlick Derck Schaffer, Luerdt Cather, Theze Cather, Focko Aykumma, Melle Aykumma, Eltet toe Lellens, Fecko Ompteda, Eyse to Lellens, Remmert to Lellens, Menolt to Lellens, Allert Clant, Merten Vrylincks, Johan Tedema, Johan Hoernken, Willem Wicheringhe, Johan Scatter, Menne ende Eyllert Doema, ghebroderen, Jemme Alma, up die andere zijde, alle hoere twyst ende schelinghe de sie myt malkanderen hadden ende ghehadt hebben omme den doet ende nederslach saligen Hinrick ende Frederick Gaykumma, ghebroderen, de Godt ghenade de welcke bynnen Aedwert vurs. van enyghen conventslueden aldaer ende horen denaren nedergheslagen ende van den levende ter doet ghebracht sijn an ons oeverman ende segghesheren vurs. wittelike compromittiert, ghestalt ende gans ende heel belevet hebben bij pene twedusent golden rijnsche gulden nae luede ende vermoeghe des compromisses dat welcke daer up ghemaket is ghewest, soe hebben wij oeverman ende segghesheren vurs. de selve vurs. sake wettelike ende behoerlike verhoert ende verstaen ende na behoerlike verhoer examinacie ende deliberacie daerup ghehadt ene compositie ende guetlike dedinghe in vruntschap naesten besten rechte in der selver vurs. sake ghemaket ende bij weten wille ende consent beider parten vurs. wytghesproken in navolghender maneren:


In den eersten sollen heer Sweder van Merwyck, de olde kelner, heer Johan van Steenwyck, beermester, ende broder Gheert, hoeffmester, tot ewighen daghen bliven wyt den cloester van Aedwert ende alle den cloesteren de onder Aedwert hoeren alle hoere wythoven offte voerwarken ende anders wyt allen den steden daer die van Aedwert to bidden offte to beden hebben die in Vreeslandt ghelegen sijn tusschen de Eemzee ende Lauwerzee ende broder Jacob de mulner sal in dren jaren naestkomende van datum van dessen an te rekenen bynnen Aedwert neet wonen ende Evert des kelners vurs. knecht sal in Aedwert neet wonen neet dat hie in den doetslaghen schuldich ghevunden is dan den vrunden vurs. tot ghevalle sal hie in Aedwert neet woenen ende de twe brouwer ende backersknechten de daer mede ghewest sijn, sollen neet weder in Aedwert noch in Vreesslandt tusschen de Eemzee ende Lauwerzee komen. Itke ende Cornelys moeghen wonen daer 't hen belevet want sie onschuldich ghevunden sijn.

 

Ten anderen sal dat cloester van Aedwert up sick nemen den onwilen de ghewest is tusschen heer Sweder, den kelner vurs., ende Johan Gaykumma, alsoe dat heer Sweder vurs. off nemant van sijner weghen up Johan Gaykumma vurs. offte up sijnen erfgenamen tot ghenen tiden myt ghenen rechte omme de onwille spreken sal. Dede oick iemant dat is her Sweder offte anders wel van heer Sweders offte des abbetes offte convents vurs. weghen daer on thegen dat is de up Johan Gaykumma offte sijnen erffgenamen vurs.

 

Myt rechte spreke dat sal dat cloester van Aedwert aff doen, buten Johans ende sijne erffgenamen vurs. schade. Ten derden sal dat cloester van Aedwert overgheven ghelick sije overmytz dessen breve overgheven alle hoer heerlickheit, rechtinghe ende ius patronatus offte koer de sie hebben in den kerspellkercken ende allen beneficien van Suethorm to ewighen daghen tot behoeff ende in handen Johan Gaykumma ende sijnen erven ten weer dan sake dat Godt almachtich saligen Hinrick Gaykumma natuerlike erffgenamen verleende up den welke dat dan vallen sal ende up nemant anders beholden dat de meyeren van Aedwert in den sulven kerspel sollen bliven na older ghewoente onder den redger van Aedwert de ghelicks sollen de van Aedwert oick overgheven ghelijck sie oick myt dessen overgheven ius patronatus offte koer die sie hebben offte hebben moeghen to der kercken offte ander beneficien in den kerspel van Werum tot behoeff salighe Frederick Gaykumma vurs. erffgenamen tot ewighen dagen.


Noch solt de van Aedwert funderen twe ewighe vicarien, elke vicarie voer dertich golden rijnsche gulden van ghewichte jairliker ende ewigher renten, de ene tot Suethorm, de ander tot Werum, myt dessen beschede dat die vicarii der vurs. vicarien to ewighen daghen truweliken sollen bidden in allen horen missen, ghebeden ende Godes deensten voer salighe Henrick et Frederick Gaykumma ghebroderen de God ghenade ende sollen de vicarii vurs. geholden wesen in kracht desser fundacie eerlike ende rekkelike tot leven ende des horen pastoren een hantschrifft gheven ende offte sie soe neet en leveden ende des gherechtelike vermaent worden eens, ander ende derde mael ende sick neet en beterden sollen de collatoren dan de vicarie daer dat van gheboerde enen anderen gueden preester moeghen gheven.

 

Oick sollen de vicarii alle weke ten minnesten elck der dre missen doen. Weren sie oick onghestelt alsoe dat sie wyt enigher oirsake de missen ter weken neet doen en konden offte mochten sollen sie de van enen anderen gueden preester doen laten des sondaghes van der Hilligher Drevoldicheit offte van der tijdt nae ghelegentheit die kercken des vridaghes voir alle kersten ghelovighe zelen mitter collecten animabus et mytter collecten van den hillighen vijff wunden Domini Jesu Christi fili Dei unici, de derde misse sal wesen eens ter weken als den preester even kompt van onser Liever Vrouwen mytter collecten voir alle kerstene zelen animabus ende ummer solt beide vicarii in allen horen missen ende Goedes deensten truwelike voer salighen Hinrick ende Frederick Gaykumma ghebroderen vurs. bidden.

 

Daer to sal elck vicarius van den twen vicarien vurs. alle daghe voir den twen broders vurs. ende alle kerstene ghelovighe zelen lesen de twe salmen Miserere ende De profundis myt een Pater noster, Et ne nos, Requiem eternam, A porta inferi, Credo videre bona Domini, Domine exaudi orationem meam, Dominus vobiscum myt der collecten animabus ende fidelum Deus ende Requiescant in pace, wytghesecht de Passye- ende Paesscheweken ende de octava Nativitatis Christi daerto sollen beide vicarii gheholden ende verbunden sijn elck in hoere kercke alle Godes deensten mede tot doen tot singhen prediken, bichte tot horen sacramenten to ministreren ende ander Godes deenste doen als hoor pastoir ende kerspellude van hem begheren, voert horen pastoer elck hoersam ende onderdanich wesen in gheboerliken ende kerken saken dair tot sal de vicarius tot Suethorm alle jaer des eersten maendaghes na Sunte Bernardi dach to ewighen daghen bidden den pastoer mytten anderen preesteren der kercken van Suethorm ende den pastoer ende den vicarium tot Werum de dan alle ghelick des morghens in der kercken to Suethorm sollen lesen ene vigilie ende daernae elck misse doen ende als die laeste misse west is, sollen alle de voerg. pastoren ende preesters tot den graven ghaen salighen Hinricks ende Fredericks ghebroderen vurs. ende lesen daer Miserere ende De profundis myt Pater noster, versiculen ende collecten vurs. ende dan solt sie samentlick to des vicarius vurs. hues ghaen de hem dan een maeltijdt van dren gherechten gheven sal myt gueden Groningher beer ende als de maeltijdt ghedaen is, sollen sie samentlick gratias lesen myt Miserere ende De profundis pro defunctis ende als de gratias ghelesen is sal die vicarius van Werum den twen pastoren voerg. gheven elck vijff stuver als in der tijdt ghanck ende ghave synt ende elken preester twe stuver ghelikes payments.

 

Van der vicarien de tot Werum wesen sal, hebben wij oeverman ende segghesheren vurs. bij weten wille ende consent der vrunden alle van Gaykumma luede vurs. ende bij consent heren Otten Doelinck, in der tijdt pastoer tot Werum vurs. omme salicheit de zelen der van Gaykumma de voir hen ghestorven sijn gheordineert in stede den vicarien de wandaghes van enen salighen Allert Gaykumma in den jaer dusent drehundert enentwintich to Gaykumma capelle ghefundeert sijn ende overmytz verloep der tijden ende der lueden verkoemen sijn omme God der kerken ende den zelen van Gaykumma volck voer hen sijn ende naemaels noch sterven moeghen ghenoech tot doen Soe dan desse sulve vicarie van den verghelde ende ghestorten blode salighe Frederick Gaykumma vurs. ghestichtiget, is gheordineert ende myt dessen ordineren ende wytspreken dat men dat hues der vurs. Vicarien tymmeren sal up stede ende plaetzen daer ’t salighe Frederick Gaykumma erffgenamen beleven ende bekomen konnen dair die vicarius vurs. in woenen ende resideren sal ende sal van sijnen dren missen vurs. ter weken twe tot Gaykumma capelle doen ende ene toe Werum soe veer dat doenlick is.

 

Is ’t oick wyt redelike oersaken neet doenlick, sal hie de derde oick to der vurs. capellen doen, man alle de principael ende grote hochtiden sal hie sijn missen ende Godes deensten tot Werum doen ende den pastoer behulpelick ende bijstandich ende ghehoersam sijn als vurs. is ende myt wederuprichtinghe desser vicarien ende capellen en sal dat principael hues bij Gaykumma dijck, daer salighe Frederick Gaykumma up ghestorven is van sijnen olden kerckenrecht toe Werum neet ghevrijet sijn, noch ick ghene van allen den anderen husen de bij Gaykumma dijck off daer omtrent staen ende to Werum van oldes to kerken horen sal ghevrijet sijn van sijnen kerkenrechte dan dat elck van oldes schuldich ghewest is sal hie betalen. Die vicarius to Suethorm sal sijn renten vurs. manen myt wat rechte hie wil wyt den erven der van Aedwert to Suethorm offte wyt elck besunderlinghe dair he best ghelevet sunder oevelmoet der van Aedwert. Die vicarius to Werum sal sijn renten manen van den meyeren der van Aedwert up Gaykummadijck als vurs. is van den vicario to Suethorm.

 

Wylt de van Aedwert de renten der twyer vicarien afflossen dat moeghen sie tot allen tiden doen myt soe voele gheliker ghenoechsamer renten de men neet sal moeghen lossen dan myt oick ghelike ewighe renten ende de vulle pacht ende soe voert in ewicheit ende anders neet de collacie offte presentacie van der vicarien tot Suethorm sal ewelick bliven bij Gaykumma hues to Suethorm als vurs. is van der rechtinghe ende ius patronatus ende de collacie offte presentacie van der vicarieen toe Werum sal ewelicke bliven bij salighe Frederick Gaykumma vurs. hues up Gaykummadijck ende sijnen erffgenamen Item voer de stenen crucen de bilix na gheleghentheit ende erberheit der personen de Godt betert gheslagen sijn, is gheordineert dat de twe pastoren als van Suethorm ende Werum sollen wyt bevell der van Gaykumma kesen enen vanden junghen offte olden preesteren bynnen Aedwert de gheen officium en hefft dat hyr hinderlick in is, wen sie wilt, den sal die abbet daer to vermoeghen dat die sulve altijdt als hie misse doet, sal lesen ende misse doen voer Allerzelenaltaer dat salighe her Frederick Gaykumma, wandaghes abbet tot Aedwert, in den capittelhues ghestichtiget hevet, ende sal truwelicke bidden voer de vurs. gheslagene gebroders. Ende disse misse sal neet gherekent wesen in de missen de salighe heer Frederick voerg. up dat altaer ghesath hevet.

 

Dan als de hoghe misse beghunt wordt alle daghe to ewighen tiden, sal desse preester ten altair ghaen. Ende als hie neet gheschicket en is sal hie een ander in sijn stede warven. Ende de misse sal heten Gaykumma twyer broeder misse. Ende als de sulve preester sterfft offte enich bevel krijghet dan solt de pastoren voerg. to ewighen tiden enen anderen, als vurs. is, kesen den de abbet in der tijdt als vurs. is, bewiligen sal. Ende den sulven preester den sal de kelner van Aedwert in der tijdt altijdt up Sunte Bernardi dach in eghener personen ter misse denen ende soe tot zamen truwelick voer de zelen bidden. Ende den eersten dach na Sunte Berent de den convente moghelick is, solt sie des avendes vigilie holden ende des morghens elck preester in Aedwert een zeel misse lesen. Ende dan sal de kelner des middaghes elken broder gheven een halff menghelen rijnsches wijns ende en wyt weiten broet.

 

Ende to wat tijden enich van dessen punten versumet worden sonder redelike oersake, dat God verbede, sollen de van Aedwert to allen tiden ende soe vake dat ghescheghe ghebroken hebben vijfftich golden overlantsche rijnsche gulden van ghewichte de de beide pastoren voerg. dan moeghen manen wyt enich van Aedwerder arven daer ’t hem alderbest ghelevet myt wat rechte gheestlick warlick offte bot breven hoe ’t den pastoren bet ghelevet sonder oevelmoet der van Aedwert. Ende noch sollen de van Aedwert allike wal geholden wesen de vurs. articulen bij der vurs. pene. In de vurs. maneren tot holden. Ende so vake de pene ghebroken worde sonder redelike oirsake als vurs. is, sal men de pene keren tot verbeteringhe beider vicarien, dat is de ene helffte tot Suethorm ende de ander helffte tot Werum offte Gaykumma capelle.

 

Item de van Aedwert sollen bewissen beide kerken in Groningen, t'Sunte Merten ende ter Ae den kerckheren ende ghemene preesteren aldaer ses golden rijnsche gulden van ghewichte jaerlicker renten van welken ses rijnsche g. sollen vere tot Sunte Merten ende twe ter Ae wesen dair de vurs. salighe beide broeders in beiden kerken van beghaen sollen worden jaerlix myt twe punt wasses ende zeelmissen na ghewoente der selver kerken. Ende dat dair dan overlopt sal men den kerckheren ende ghemene preesteren der vurs. kercken.


Ende oick den preesteren van Sunte Walburghe delen omme truweliken to bidden voer die vurs. salighen beide broeders in missen ende vigilien als dat behoerlick ende ghewoentlick is. Ende so langhe de renten vurs. onverwisset sijn mach de procurator van Sunte Merten de vurs. ses ghewichtige gulden manen wyt enighen van allen Aedwerder guederen oick wair die ghelegen sijn. Ende hem best belevet schadeloes ghelt myt wat rechte gheestelick offte warlick hie wil. Ende van dessen sessen den procuratoren ter Ae twe van gheven, daer men dan in beiden kerken van doen sal als vurs. is.

 

Item toe der vicarien husen sollen de van Aedwert gheven tot elken hues vijff dusent steens soe voelepannen als men daer to behoevet ende enen gueden oven kalcks. De van Aedwert  sollen to ewighen daghen to alle jaer up Sunte Bernardi dach vijff arme menschen in de ere der vijff wunden Christi in hoeren reventer de kost gheven. Ende daertoe elck enen cruesden penninck. Volle oick in jenighen tokomenden tiden duesternisse offte swaerheit tusschen den parten vurs. van den articulen offte sake vurs. sollen altijdt staen ende bliven an verclaringhe offte interpretacie onser overman ende segghesheren vurs.

 

Ende in ghebreke onser offte enich van onsen moeghen de in den levende sijn ander guede onstrafber luede in der offte des stede kesen ende dan verclaren als vurs. ende hyr en boven hebben de werdighen ende relligiosen heren abbet ende prior vurs. in onser overman ende segghesheren tegenwordicheit Johan Gaykumma ende sijnen vrunden vurs. in naem ende van weghen der hantdadighen vurs. enen gheboerliken voetval ghedaen. Daerup dan oick ende alle den vurs. articulen Johan Gaykumma ende sijne vrunde vurs. de bovengescr. nederslach Hinrick ende Frederick Gaykumma, ghebroderen, vurs. om dat bitter liden ende de leeffte Christi den principalen als naemlick heer Sweder van Merwyck, heer Johan van Steenwyck, broder Gheert, hoffmeister, ende de twe brouwer ende backerknechten vurs. vergheven de sulve offte nemant voirt meer omme de selve misdaet bet to haten offte to nijden off oick beth omme de vurs. sake to spreken up iemande myt rechte offte sunder recht dan des myt al man nemant wytgenomen verliket ende versoent sollen wesen ende bliven hebben oick dairup de selve Johan Gaykumma myt allen ende en itlick besonder sijner vrunden voers. voer hem ende hoeren erffgenamen vrunden, swaghers ende maeghen mannen ende vrouwen gheboren ende ongheboren ghegunt ende ghegeven ende in kracht desses breeffs gunnen ende gheven ene stede ende vaste maeghes ende moedes soene den selven heren Sweder, olde kelner, heer Johan van Steenwyck, beermeister, broder Gheert, hoeffmeister, ende den twen brouwer ende backerknechten vurs. ende elck besunder als den ghenen de die misdaet vurs. ghedaen mede ghedaen offte heten doen hebben.

 

Dair en boven hebben oick de sulve Johan Gaykumma myt alle sijne vrunden ende in maneren vurs. de sulve moet ende maechsone ghegunt ende toghestaen ende myt dessen breve tostaen den weerdigen ende relligiosen heren abbet, prior, supprior, kelner, bursario, cleetmeister ende voirt alle den broderen ende conventualen, klerken offte leken des convents van Aedwert ende elck besunderen de nw sint ende in ewicheit komen moeghen myt alle hoere denaren ende inwoneren alsoe dat de alle ende en iewelick besunder in ende myt desser soene ende moetsoene ghesoent ende verenighet in ewicheit sollen wesen ende bliven. Breke oick iemant van beiden partien desse vurs. sone de sal vervallen wesen in een pene van twedusent golden overlantsche rijnsche gulden van ghewichte, eendusent tot des hoenden behoeff ende eendusent tot der fabrica van Sunte Merten in Groningen behoeff.

 

Sonder alle arch ende list. In oirkunde der wairheit hebben wij oeverman ende segghesheren vurs. elck onse seghelen witlick doen hanghen. Ende omme de mere vestenisse want wij Elbertus, abbet, ende convent vurs. desse soene dair sie ons ankumpt. Ende wij Johan Gaykumma myt alle unsen vrunden de sulve soene dair sie ons ankompt belevet ende toghestaen hebben onse ende onse conventes ende Dirck Schaffer ende Focko Aykumma segelen witlick beneden an dessen breef doen hanghen.

 

In den jair onsses Heren dusent vijffundert ende twintich des maendaghes nae Simonis et Jude apostolorum.'


Het betreft een flinke lap tekst op perkament waarin veel bekende Groninger families in  voorkomen. Dat kan ook niet anders, want het gaat immers over een dubbele moord op de gebroeders Henrick en Frederick Gaykumma en het klooster te Aduard.

 

 

Abdis Reinholt Jarges
Benieuwd naar abdis Reinolt Jarges (1486) vinden we binnen Cartago het volgende, compleet met het origineel in perkament en met een enigszins geschonden ambtszegel van de abdis in groene was:

 

‘Reyner Jerges abdis, de kloosterlingen en de ‘oldermans’ van het klooster van Assen geven kwijting aan Coppyn Jerges voor de laatste 100 Arnemsguldens van de 300 guldens, door hem bij de opname van zijn dochter als non toegezegd volgens de transfix’

 

Reyner Jerges abdis, de kloosterlingen en de ‘oldermans’ van het klooster van Assen geven kwijting aan Coppyn Jerges voor de laatste 100 Arnemsguldens van de 300 guldens, door hem bij de opname van zijn dochter als non toegezegd volgens de transfix’ [14],

 

Dit is de volledige transcriptie van de tekst. Met een beetje moeite is het goed te transcriberen:

 

Zegel van Reinholt Jarges (Reyner Jerges) 1486).
Zegel van Reinholt Jarges (Reyner Jerges) 1486).

Wy Reyner Jerges inder tyd abdisse gemene convents luuden mitten oldermans des cloesters van Assen bekennen mit dessen openen breve voir ons ende naekomelingen (sic) dat ons Coppyn Jerges guetlycken ende wall betaelt hevet die laetste hondert arnems guldenen vanden dren hondert guldenen als Coppyn voirgenoemd onssen convente mit Alyde synre dochter onsse convents medesuster in voirleden tyden uut gueder gunst toegesecht hevet toe gevende omme Goids willen nae inholt des breves daer desse breeff doer getogen is. Alsoe dat wy Coppijn voirgenoemd die drehondert guldenen voirgenoemd bedancken alinge ende all gueder betalinge sonder alle argelyst. In Oirkonde der werheyt soe hebben wy Reynolt abdisse gemene conventes luiden mitten oldermans des voirscreven cloosters onsse convents segell an dessen breeff gehangen. Gegeven inden jaer ons heeren dusent vierhondert sessendetachtentich up sunte Mertens Avende transslacionis.

 

Zie ook: in ‘De verdwenen borgen van Groningen’: Borgen Meyma, Sassema, Alma, Folkerda, het Huis te Enum, Grevinga, De Juist, Fraylema te Losdorp, Batenborg te Maarhuizen, Asinga, De Leke, De Brake, Alma te Saaksum, Onstaborg te Sauwerd, Nijenhof, Awemahuis te Tolbert en Asinga te Ulrum

 

 

 

Het geslacht Jarges in de Groninger Archieven

 

Op 13 oktober 1845 ontvangt de toenmalige archivaris in de provincie Groningen H.O. Feith uit de nalatenschap van jonkheer Joost Jarges een aantal archivalia ten geschenke, die deels betrekking hebben op de familie Jarges. Deze stukken zijn apart gehouden onder het etiket ‘familiearchief Jarges’ en er wordt in de loop der jaren een stuk (een huwelijkscontract tussen P. van Wytsma en Teteke Jarges) aan toegevoegd.


Tezamen vormen zij het schamele familiearchief Jarges. Met bovengenoemde erflater is het in Groningen en Ommelanden zeer vermaarde geslacht uitgestorven, zodat op een belangrijke aanvulling van het familiearchief bijna niet gerekend kan worden. Voor een geschiedenis of persoonsbeschrijvingen wordt verwezen naar W.J. Formsma c.s., Ommelander Borgen en Steenhuizen en de serie Groninger Volksalmanakken. Genealogieën treft men aan in Het Nederlands Adelsboek 1943-1948 p. 74, De Haan Hettema en A. van Halmael, Stamboek van de Friese vroegere en latere adel en in inventarisnummer 2 van deze inventaris [15]. Verder treffen we in de inventaris bij de Groninger Archieven alleen nog aan:


Genealogie
1. Wapen van het geslacht Jarges; gekleurd op perkament, z.d. (18e eeuw)
2. Stamboom van het geslacht Jarges van 1199 tot 1758; op perkament, z.a. en z.d. (18e eeuw)
3. "Memoria", deeltje bevattende familieaantekeningen betreffende Coppen Jarges (1575-1642) en zijn rechte afstammelingen; vermoedelijk in 1669 geschreven door Coppen Jarges' zoon Schelto en in verschillende handschriften voortgezet tot 1734
4. Brief van Rhijnvis Feith te Zuidbroek aan zijn vader H.O. Feith, waarin hij een beschrijving geeft van een grafsteen van een lid van de familie Jarges in de kerk te Zuidbroek, welke beschrijving door jhr. Joost Jarges aan H.O. Feith gevraagd was, 1843
7. Genealogische overzichten en aantekeningen, z.j.

2. Familieaangelegenheden:
5 Akte van huwelijksvoorwaarden tussen Phillippus van Wytsma en Teteke Jarges, 1637
6 Album van Eiso Jarges, 1565; Voorheen handschriften in octavo, nr. 27 (hiervan is een kopie in het archiief aanwezig).
Laatste wijziging: 19-08-2014.



Noten, bronnen en referenties:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Noten, bronnen en referenties:

Noten:


1 De Nederlandsche Adel, historischt gedeelte, 1e jaargang, 1925, Den Haag, W.P. van Stockum & Zoon.

2 Groninger Gedenkwaardigheden, Pathuis/Redmer Alma.

3 Cartago, nr. ass102, 3 juli 1486, bron: archief abdij Assen, inv. nr. 39, reg. 102

4 Ondertouwboek Kerkelijke Gemeente Groningen, 16 april 1626, arch. nr. 124, inv. nr. 160, blad 74.

5 Groninger Gedenkwaardigheden, Adolf Pathuis en Redmer Alma

6 Dr. W.J. Formsma, R.A. Luitjens-Dijkveld Stol, A. Pathuis, De Ommelander Borgen en Steenhuizen, Van Gorcum & Comp. B.V., Assen, 1973

7 Doop- en trouwboek 1650-1811, kerkelijke gemeente Baflo en Rasquert, registratie vóór 1811, akte datum: juli 1686, arch.nr. 124, inv.nr. 25, blad 86. De dag is in het trouwboek niet vermeld.

8 Huwelijkscontract Gerecht van Eenrum, Concepten en afschriften van akten, 1751-1760, arch. nr. 734, inv. nr. 201, akte 734

9 Overlijdensregister Groningen, 8 januari 1845, akte. nr. 18.

10 Parlement.com

11 Cartago, nr. ass118, 13 juli 1501, bron: archief abdij Assen, inv.nr. 13, reg. 118

12 Cartago, nr. ass127, 8 april 1516, Bron: archief abdij Assen, inv. nr. 65, reg. 127

13 Cartago, nr. kla0994, 29 oktober 1520. Bron: Kloosterarchieven, inv.nr. 31, reg. 994

14 Cartago, nr. ass102, 3 juli 1486. Bron: archief abdij Assen, inv.nr. 39, reg. 102.

15 RHC GA, 541, familie Jarges, 1565-1843.

 

Bronnen en literatuur:
1. R.H. Alma, 'Hekerens en Bronkhorsten in Groningen', in: D.E.H. de Boer et al. (red.), Het Noorden in het midden, Groningen 1998, p. 18-30.
2. Eise Engelsma, De Grote Friese Oorlog, Partijstrijd in de Friese landen: 1413-1422, Groningen 2010, p. 26-32.
3. F.J. Bakker, Bedelorden en begijnen in de stad Groningen tot 1594, Assen 1988, p. 37.
4. R.I.A. Nip, 'Hoofdelingen en stedelingen, een wereld van verschil ca. 1350-1536' in Duijvendak, M.G.J. [et al.] Geschiedenis van Groningen, deel I, p. 257 e.v., Zwolle, 2008.
5. Van der Aa, Biographisch Woordenboek Van der Aa, dl. 9, p. 127.
6.  Nederland's Adelsboek 86 (1996-1997), p. 163-167.
7. DBNL. Naamkunde. Jaargang 35 ()2003-2004. Vernoemingen in de stad Groningen en de Ommelanden in de 16e eeuw door Redmer Alma.
8. Archief Abdij Assen, inv.nr. 39, reg. 102 en Arch. Abdij Assen, inv.nr. 39, reg. 98.


 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven).Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de Disclaimer voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 14 september 2021.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top