Chirurgijns, heelmeesters en piskijkers

 

Een piskijker is een historisch beroep, vergelijkbaar met een geneesheer en kwakzalver. In dit geval iemand die uit het ochtendwater kan opmaken welke ziekte de betreffende persoon onder de leden heeft en advies geeft of medicijnen verstrekt om de ziekte te genezen. Ook kan de piskijker aan de kleur en geur van de urine van een patiënt opmaken of bijvoorbeeld een vrouw zwanger is of niet. De piskijker is eeuwenlang een thema in de schilderkunst. Te zien is dan hoe een arts bij de patiënt een urinaal omhoog houdt om bij doorvallend licht het water van de zieke te beoordelen.

 

"De piskijker" door Jan Steen (ca. 1633-1635). Olieverfschilderij op canvas. Bron: De Lakenhals, Leiden. Licentie: Public Domain.

 

 

Het idee achter de uroscopie (het 'piskijken') was reeds in de oudheid bekend. Ongeveer 1000 jaar v.Chr. weet men al dat als men simpelweg urine op de grond gooit en er dan insecten op afkomen, dat dat kan wijzen op iets wat vooral voorkomt bij mensen met steenpuisten. Die ontstaan namelijk vaak bij suikerziekte, een aandoening waarbij glucose in de urine terecht komt. Hippocrates van Kos schijft 2400 jaar geleden al dat kleur- en geurveranderingen van urine duiden op koorts. De Perzische arts Ismail van Jurjani schrijft rond het jaar 1000 dat er zeven verschillende observaties aan urine gedaan kunnen worden: de hoeveelheid, de stroperigheid, kleur, geur, transparantie en neerslag- en schuimvorming.

 

Het voelen van de pols en het schouwen van de urine zijn in vroegere tijden de methoden om tot de diagnose te geraken, het systematische lichamelijke onderzoek wordt dan nog niet uitgevoerd. Zulk een onderzoek lijkt destijds weinig zin te hebben. De oorzaak van inwendige ziekten wordt namelijk gezocht in een wanverhouding tussen de vier lichaamssappen,  bloed, slijm, gele gal, zwarte gal, waarvan de eigenschappen tezamen met die van de 'levensgeesten' van verschillende aard, de levensprocessen in het lichaam naar men indertijd meent bepalen en regelen.

 

Slechts zeer geleidelijk zijn na de ontdekking van de bloedsomloop door de Engelsman William Harvey in 1628, de aloude humoraal-pathologische voorstellingen, die nog uit voorchristelijke tijden stammen, vervangen door meer moderne inzichten op het gebied van de natuur- en de scheikunde. Voor de arts, wiens geneeskundig denken door de leer der lichaamssappen wordt beheerst, is het van principaal belang vast te stellen welk van de vier vochten in het onderhavige ziektegeval nu juist te kort schiet dan wel al te zeer overheersend is, hierbij lijkt inspektie van de uitscheidingsprodukten, vooral van de urine, meer informatie te kunnen bieden dan het bekloppen, betasten of beluisteren van de patiënt.

 

Het 'piskijken', met een deftig woord 'uroskopie' genaamd, is in de middeleeuwen en nog lang daarna voor de geneeskundige praktijk van de allergrootste betekenis geweest. Eeuwenlang is het urineglas welhaast het symbool van de geneeskunst. Het heffen van het urinaal is tot een typisch medisch gebaar geworden en aan de pisbokaal in de hand herkent men de geneesheer op afbeeldingen uit de middeleeuwen en uit latere tijd.

 

Menigmaal wordt in de oude literatuur van de piskijkerij melding gemaakt, bijvoorbeeld in het bekende dierenepos van Reinaert de Vos. De vader van Reinaert wordt door de sluwe hoofdpersoon afgeschilderd als een kundig arts uit de school van Montpellier.

 

 

De geneesheer in vroegere tijden

 

De geneeskundige verzorging in de 17e eeuw biedt uiteraard een heel ander beeld, als tegenwoordig. Huisartsen bestaan nog niet, specialisten zijn er wel, maar niet zoals wij deze nu kennen.

De gasthuizen staan als slecht te boek en je vermijdt deze 't liefste. Alleen de allerarmsten, veelal zonder verzorgende familie, melden zich voor deze goedkope of zelfs gratis 'medische verzorging'.

Eenieder die het zich kan veroorloven ontbiedt de chirurgijn of 'medicinae doctor' gewoon aan huis en laat zich thuis verzorgen.

 

Aderlating in 1471. Bild aus der Handschrift "Die sieben weisen Meister" von Hans Dirmstein, Frankfurt am Main 1471. Bron: "Die sieben weisen Meister" Ms Germ.Quart 12 Universitätsbibliothek Frankfurt am Main, gescannt aus Schiel, Hubert: Die Frankfurter Dirmsteinhandschriften, Frankfurt, 1938. Auteur: Hans Dirmstein. Licentie: Public Domain.

 

 

Bloed, slijm en gal

 

De middeleeuwse kennis over ziekten gaat vooral terug op wat de Griekse arts Hippocrates en de Romeinse chirurg Galenus hebben geschreven, respectievelijk in de 5e eeuw voor Christus en in de 2e eeuw. Volgens hen is het lichaam gevuld met beenderen en vier soorten vloeistof: bloed, slijm, zwarte en gele gal. Als de vier sappen elkaar in evenwicht houden, is er niets aan de hand. Gaat een ervan overheersen, dan raakt het lichaam uit balans en wordt een mens ziek.

 

Omdat veel ziekten gepaard gaan met koorts, denkt men dat het lichaam dan te veel bloed bevat. Het aftappen ervan, of het aanleggen van bloedzuigers, zal het evenwicht gaan herstellen. Wanneer dit moet gebeuren, hangt af van de stand van de planeten.

Op een afbeelding is de achterzijde van de Deventer Almanak voor het jaar 1587 te zien. Aan de hand van de sterrenbeelden rond de man wordt bepaald wat het geschikte moment voor een aderlating is.

 

 

De 'doctor medicinae'

 

Het beoordelen en behandelen van inwendige ziekten behoort tot de bevoegdheden van de 'doctor medicinae', de academisch gevormde arts die aan een Nederlandse of buitenlandse hogeschool zijn doctorsgraad heeft behaald. In ons land kun je omstreeks het midden van de 17e eeuw aan vijf universiteiten en hogescholen geneeskunde studeren, namelijk in Leiden (sinds 1575), Franeker (sinds 1585), Groningen (sinds 1614), Utrecht (sinds 1636) en Harderwijk (sinds 1648).

 

Het gaat dan om een opleiding van minimaal 5 of 6 jaar. De opleiding is heel duur zodat niet iedereen deze kan betalen. Na 3 jaar wordt de leerling, knecht van een meesterchirurgijn en mag hij verschillende handelingen zelf uitvoeren.


Na 6 jaar krijgt hij een leerbrief mee. Met deze leerbrief kan hij examen doen, wat uit twee delen bestaat; een theoretisch en een praktisch examen. Bij het theoretische deel moet hij vragen beantwoorden over de werking van het menselijk lichaam en verloskunde.
Bij het praktisch examen moet hij laten zien dat hij de theorie in het echt kan uitvoeren, bijvoorbeeld een operatie doen. Als hij slaagt krijgt hij een diploma. Ook moet hij bijvoorbeeld, brandijzers kunnen gebruiken waarmee bloedende wonden worden dicht gebrand.

De student leert in verhouding maar weinig van de praktische geneeskunde; ook het anatomische onderwijs is weinig praktijkgericht. De nadruk ligt op het verkrijgen van vaardigheid in het houden van betogen. Ook de promotie tot 'medicinae doctor' stelt maar al te vaak weinig voor. Zo heeft Harderwijk de naam dat je er binnen enkele dagen kan promoveren, als je de juiste wegen kent en voldoende geld op tafel kan leggen. Niet elke doctorsbul is dus een garantie voor voldoende kennis.

 

De 'doctor medicinae' is dus een deftig, dikwijls ook een zeer geleerd heerschap, meer door zijn kennis van het Latijn, destijds de internationale taal van de wetenschap. De 'Doctoor' verlaagt zich in principe niet tot het verrichten van manuele behandelingen, deze laat hij over aan praktizijns van lager rangorde, de zogenoemde chirurgijns of heelmeesters......

 

 

Een oude afbeelding waarin een 'heelmeester' probeert een gebroken been te 'repareren'.

 

Chirurgijns en heelmeesters

 

Deze houden zich in vroegere tijden bezig met de uitwendige geneeskunde of heelkunde en oefent zijn beroep uit in Gilde verband. Chirurgijns drijven daarnaast meestal een barbierszaak waar zij hun clientèle ontvangen en behandelen. Naast het gewone knip- en scheerwerk wordt hier ook het snijden, het 'opereren' verricht. De 'praktijk' is vaak op buitenissige manier versierd met opgezette dieren, anatomische preparaten in glazen potten, doodshoofden en geraamten.

 

Op het platteland moet de chirurgijn veelal en vooral in tijd van nood, zijn geleerde ambtgenoot, zo goed en zo kwaad als het gaat, vervangen. Een barbier is trouwens in de meeste gevallen sneller te bereiken en daarbij 'beterkoop' (goedkoper).

 

Barbier-chirurgijn

 

Om barbier-chirurgijn te worden, is geen universitaire studie vereist. Je gaat te leer bij een meester-chirurgijn in de barbierswinkel. Vervolgens zoekt de leerling een tweede en een derde meester, enz. tot hij eindelijk het vak van wondarts in de oorlog volmaakt leert. Oorlogen brengen dagelijks nieuwe 'interessante' gevallen en is de beste leerschool voor de chirurgijn.

De 17e eeuwse zieke klopt dus in het ene geval aan bij een in zijn woonplaats praktiserende barbier chirurgijn. In een ander geval laat hij zich onderzoeken en behandelen door een gestudeerde medicus, een 'medicinae doctor'. Bij een minder ernstige aandoening kan hij besluiten te wachten tot er weer een kermis of jaarmarkt in het dorp of in de stad is, om bij die gelegenheid een rondreizende meester of kiezentrekker te raadplegen.

 

 

Veelvoorkomende ziekten in de Gouden Eeuw

 

In de 17e eeuw kan je de nodige aangetaste gezichten tegenkomen op straat. Ziektes als scheurbuik, pokken, syfilis en lepra laten hun sporen na, als je ze al overleeft.

 

Scheurbuik wordt veroorzaakt door vitaminetekort en komt niet alleen voor bij zeelui, maar ook 'aan wal' lijden mensen hieraan. De symptomen zijn: een bleke huid, vermoeidheid en kortademigheid, zwellingen en bloedingen van het tandvlees en onderhuidse bloedingen aan de benen.

 

Syfilis is een veelbesproken geslachtsziekte in de 16e, 17e en 18e eeuw. Waarschijnlijk overgekomen uit de nieuwe wereld, verspreidt syfilis zich vanuit Italië langzaam over heel Europa. De link met seksualiteit wordt al snel gelegd, maar de parasiet die de veroorzaker is, is dan nog niet ontdekt. Symptomen verschijnen in vier stadia. Eerst komt er een zweer, met een harde omgeving; dan rode knobbels of vlekken; dan grote vijgwratten rond de anus of geslachtsdelen. Daarna kan de ziekte maanden of zelfs jaren rusten. Wanneer het derde stadium aanbreekt, kunnen interne organen aangetast worden. Dit stadium is al vaak dodelijk of in ieder geval invaliderend. Voor wie dit overleeft, is er nog het vierde stadium: hierbij worden de hersenen aangetast en kan krankzinnigheid optreden, de 'dolhuijsen' zitten daar in het verleden vol mee.

 

Dit zijn bij lange na niet de enige ziektes die het straatbeeld bepalen; er zijn er nog veel meer. Skeletvergroeiingen zorgen voor een grote verscheidenheid aan bochels, stompjes en kreupelen. Infecties die niet behandeld worden en uit de hand lopen, zorgen voor open wonden en koudvuur.

 

Ook het krijgen van kinderen laat zijn sporen na op vrouwen. Vrouwen kunnen kreupel worden en ook kraamkoorts zorgt voor vele sterfgevallen. Wat je ook veel ziet in het straatbeeld is struma, in de volksmond krop genoemd, dat werd veroorzaakt door een tekort aan jodium. Onbehandeld kan het tot grote gezwellen in de hals leiden. Pest komt ook nog voor in de 17e eeuw, maar heeft zijn meeste slachtoffers gemaakt in enorme epidemieën van de late middeleeuwen.

 

 

De eerste Nederlandse medische 'uitvinders'

 

De Gouden Eeuw is een periode waarin de Nederlanders met kop en schouders uitsteken boven de omringende landen. Echter alleen op het gebeid van de handel, scheepvaart, financiën en kunst. Op medisch gebied heerst een verontrustende stilte. Terwijl in landen als Italië, Frankrijk en Engeland renaissance en humanisme aanleiding geven tot nieuw onderzoek naar ziekte en gezondheid en niet zelden tot gewaagde experimenten, blijft de bevolking van de Nederlanden overgeleverd aan 'medicinae doctores', chirurgijns en apothekers.

 

V.l.n.r. Leendert Janszn. Fruyt (1620-1701), Aert Claesz. van Swieten (1618-1685), Frederik Ruysch (1638-1731), Gillis Abrahamsz. Hondecoeter (1635-1697), Rogier Jansz. de Coen (1600-1678), Joris Jansz. van Loon (1607-1680) en Jacob Brandt (1628-1680). De anatomische les door Dr. Ruysch, geschilderd door Adriaen Backer (1635/1636-1684) Het portret is geschilderd in 1670 voor de Gilde van chirurgen. Tussen 1690 en 1885 heeft het schilderij zich op verschillende plaatsen bevonden. De grootte bedraagt 168x244cm. Beschrijving: een jeugdigde Frederick Ruysch geeft een anatomische les bij een in sterke verkorting geschilderd lijk omringd door 6 personen. Allen in zwarte kleding met platte kragen. Op de achtergrond twee nissen met links een beeld van Galenus van Pergamon en rechts een beeld van Asclepius, geportretteerden: Gillis d'Hondecoeter, Rogier de Coen, Frederik Ruysch, Joris van Loon, Aert van Swieten, Rogier de Cock, Leendert Fruyt. Het schilderij bevindt zich waarschijnlijk in het Rijksmuseum te Amsterdam en is mogelijk een kopie van het oorspronkelijke schilderij dat bij de brand van 1723 van het Theatrum Anatomicum in de St. Anthoniswaag verloren is gegaan.

 

 

Een bont gezelschap

 

Veel weten deze nieuwe medici niet, al is het nog altijd meer dan het bonte gezelschap van veelal ongeletterde geneesjuffers, steensnijders, staarlichters, ledenzetters, kruidenvrouwtjes, piskijkers en ander beunhazen. Toch zijn er ook uitzonderingen. Mannen als Pieter van Foreest (1521-1597) (lijfarts van Willem van Oranje, heeft zijn opleiding genoten in het Italiaanse Padua en wordt wel de Nederlandse Hippocrates genoemd), Frederik Ruysch (1638-1731), Reinier de Graaf (1641-1673), Antonie van Leeuwenhoek (1632-1723), Jan Swammerdam (1637-1680)en Herman Boerhaave (1668-1738) durven het aan de platgetreden paden van hun collega-medici te verlaten.

 

Ze wagen zich aan nieuw onderzoek en stelen zich daardoor bloot aan de ernstige kritiek van hun vakbroeders, die voor hun experimenten vaak weinig waardering kunnen opbrengen. Hun namen komen wel voor in elk overzichtswerk van de geschiedenis der geneeskunde, zij het vaak slechts in een voetnoot.

 

Jan Swammerdam (1637-1680) ontraadselt de werking van de ademhaling en de bouw van de vrouwelijke geslachtsorganen. Met de door Antonie van Leeuwenhoek (1632-1723) ontdekte microscoop wordt vastgesteld dat mannelijk zaad niet louter vloeistof is maar krioelt van ontelbare 'beweeglijke dierkens'. Het brengt hem op de (bijna juiste) gedachte dat zo'n dierke in de baarmoeder van de vrouw uitgroeit tot een embryo.

 

Fredrik Ruysch (1638-1731) is vooral bekend geworden door zijn anatomische werk en de wijze waarop hij erin is geslaagd lichaamsdelen te prepareren. Als tsaar Peter de Grote de collectie van Ruysch ziet, is hij zo onder de indruk dat hij voor 30.000 gulden alles opkoopt en meeneemt naar Rusland.

 

Herman Boerhaave (1668-1738) is één van de beroemdste geneesheren uit zijn tijd en heeft een vooraanstaande artsenpraktijk in Leiden, waar hij ook o.a. hoogleraar en botanicus is. Zijn hoogleraarschap trekt veel buitenlandse studenten naar de universiteit van Leiden. Hij wordt geprezen om zijn didactische gaven en vindt het belangrijk zijn studenten ook aan het ziekbed van zijn patiënten te onderwijzen.

 

Nadat de oude Gilden in de Franse tijd [Bataafse Republiek, 1795-1806) afgeschaft zijn onder het vaan van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap blijkt de kwakzalverij op te leven. Dit zit de 'oude' medische stand, waaronder chirurgijns en 'medicinae doctoren', vroedvrouwen en apothekers niet lekker. De gezondheidszorg dient gereorganiseerd te worden.

 

 

Genootschappen

 

Zo wordt in 1805 in Hoorn het genootschap 'Vis Unita Fortior' opgericht na het opheffen van het chirurgijnsgilde. De scheiding tussen chirurgijns en medicinae doctoren vervaagt. Men tracht zich samen op te stellen tegen kwakzalvers, beunhazen en andere specialisten van het marktplein. Zo verkoopt de Hoornse banketbakker Van Uven purgeerkoeken en slaapbollen en toont ze bovendien openlijk in zijn etalage!

 

Er heeft vervolgens een inventarisatie plaats van geneeskunstbeoefenaren. Na het tonen van de examenbul en het betalen van de leges en het opnieuw afleggen van de eed, wordt men ingeschreven door de inmiddels ingestelde 'Plaatselijke Commissie van Geneeskundige Toevoorzigt'. Hoorn is hiermee in 1806 een van de eerste steden. De commissie bestaat uit de medicinae doctoren J. Dirxs, J. Jager en W. Repelius en de chirurgijns J. Snoek en J.W. Sparmakering en apothekers P. van Hogen en B. van Beek.

Ze heeft tot taak alle nieuwe besluiten ter plaatse voor te bereiden en de naleving van de verordeningen betreffende de gezondheidszorg te controleren en vervolgens haar bevindingen driemaandelijks te rapporteren aan de eveneens nieuw ingestelde Departementale commissie.

 

In 1805 wordt te Hoorn óók het 'Geneeskundig Gezelschap ter bevordering van de Genees-, Heel- en Verloskunde' opgericht door de genees- en heelkundigen J.G. Repelius, J.W. Sparremaker,  J. Bleys, D. de Mees en D. Nierop. Voor de inrichting en werkwijze hebben ze hun licht opgestoken bij het Geneeskundig Gezelschap te Alkmaar. Op de wekelijkse bijeenkomsten ten huize van één der leden houdt men lezingen en verhandelingen over bijzondere waarnemingen, over heel- en verloskundige problemen of spreekt men over gemeenschappelijk aangeschafte boeken. Een belangrijke aanzet om de geneeskunde op een wetenschappelijker basis te willen beoefenen en tot ontplooiing te brengen. Bovendien voorziet het genootschap in de behoefte van de geneesheren om naar buiten te treden. Men heeft hiertoe in de beginjaren van de 19e eeuw zeker mogelijkheden, want de belangstelling van de Hoornse geneesheren voor de dan in opkomst zijnde vaccinatie tegen de pokken, brengt hen ertoe om zich met veel inzet te beijveren voor de verplichte gratis vaccinatie die van overheidswege wordt voorgeschreven aan kinderen van gelamenteerden (de bedeelden). De plaatselijke onderlinge contacten binnen het Hoornse genootschap zullen zich in de regio uitbreiden en er komen zelfs correspondentschappen tot buiten de landsgrenzen.

 

In 1812 krijgt het Gezelschap van de burgemeester toestemming om in de Kamer van de voormalige Levantse handel, in de Hoofdtoren, te gaan vergaderen. Nog datzelfde jaar wordt er een tweede Geneeskundig Genootschap opgericht 'In Horto Salubria' (In de weldadige Tuin). Dit gebeurt eveneens door een vijftal geneesheren, te weten A.P. Kuys, J.W. Sparmakering, J.W. van Beusekom, A. de Vries en G.J. Rijnders. De naamgeving verwijst naar de vergaderplaats, het tuinhuis van 'medicinae doctor' Kuys aan de Koepoortsweg. De aanleiding tot het oprichten van een tweede genootschap is niet duidelijk, mogelijk is er sprake geweest van standsverschil.

 

Uit de kasboeken kunnen we wel opmaken dat het gezelschap tulbanden bestelt, wijn drinkt tijdens de vergadering en een pendel in dienst heeft voor het verrichten van huishoudelijke en bode diensten, terwijl het andere genootschap vergadert onder het genot van bier en men voor het vergaderlokaal een schoonmaakster inhuurt.

 

Gedurende zes jaar gaan beide hun eigen weg, dienen hetzelfde doel doch beletten elkaar tot ontwikkeling te komen. Hierdoor wordt het ideaal van een bloeiend genootschap niet bereikt.

 

In 1818 dient 'In Horto Salubria' in een schrijven aan het mede genootschap. interesse om tot samenwerking te komen en enkele maanden later vindt de fusie plaats. In de eerste gemeenschappelijke vergadering waar twaalf leden aanwezig zijn, besluit men dat ook apothekers lid kunnen worden, krijgt een bredere basis en verkiest het motto 'Vis Unita Fortior'. Ten behoeve van de stadsarmen wordt een vaccinatieplan opgezet. In de wintermaanden gaat men ook openbare anatomische lessen geven en chirurgische ingrepen verrichten. Waarvoor men jaarlijks drie á vier lijken uit het Bedelaarsgesticht krijgt. De fatsoenlijke stand kan voor vijf gulden intekenen om toegang tot het schouwspel te verkrijgen. Voor leden van het Genootschap en hoofdbesturen van het gesticht is de toegang gratis. De intekenlijsten wordt de vooraanstaande burgers van de stad persoonlijk aangeboden en verder ter publiekelijke intekening in de koffiehuizen opgehangen. Het project trekt tot grote teleurstelling weinig belangstellenden, men moet overgaan tot gratis introducé per lid. Er komt in 1823 ook een tijdschrift. In 1830 gaat men apparatuur aanschaffen, deze wordt onderling uitgeleend en verder in het algemeen belang gebruikt. Zoals een microscoop en een verbeterd aetherisatie apparaat (zie verder).

 

In de zomer van 1832 bereikt een cholera epidemie Nederland. Hoorn heeft zich goed voorbereid; de kosten hebben de post onvoorziene uitgaven overschreden, maar liefdegaven vullen de behoefte aan. De oppassers van het cholerahospitaal aan de Binnenluyendijk worden als paraat aangetekend tussen 12 en 18 augustus, waarbij zij een tiental patiënten verplegen.

 

 

Advertentie voor 'Wellcome Chloroform' uit 1916. Bron: 'Wellcome Brand Chloroform': an advertisement for 'Wellcome Brand Chloroform' Photograph 1916 From: The Chemist and Druggist. Published: February 12 1916 Page 31. Licentie: Creative Commons Attribution 4.0 International.
Rond het jaar 1900 wordt chloroform gebruikt als verdovingsmiddel bij operaties. Op deze foto uit 1862 demonstreert anesthesiepionier Joseph Thomas Clover het gebruik van chloroform-toedienings-apparatuur. Bron: Chiswick Chap. Licentie: Public Domain.

 

Wat is ether

 

Ether (diethyl ether) is een brandbare, kleurloze vloeistof. De damp is explosief. Ether wordt tot het midden van de vorige eeuw gebruikt als narcosemiddel. Vanwege bijwerkingen en explosiegevaar wordt het hiervoor bijna niet meer gebruikt. In het laboratorium wordt diethyl ether als oplosmiddel gebruikt.

 

Geschiedenis ether

 

In de tweede helft van de 19e eeuw is ether een tijdlang gebruikt als roesmiddel. Er ontstaat de gewoonte om kleine hoeveelheden ether te drinken. Dit heeft een vergelijkbaar effect als alcohol. Tegen het einde van de 19e eeuw verdwijnt deze gewoonte weer.

 

Effect

 

Ether verdampt al bij kamertemperatuur en kan ook gesnoven worden. Bij inademing veroorzaakt ether gedurende korte tijd een euforie. Het lijkt op dronkenschap met lallende spraak- en evenwichtsstoornissen. Voortgezette inademing leidt tot bewusteloosheid.

Duur van de effecten is relatief kort, afhankelijk van de dosis enkele minuten. Voor zover bekend treedt er geen lichamelijke afhankelijkheid op en slechts zelden leidt ether snuiven tot psychische afhankelijkheid. De luchtwegen kunnen bij gebruik geïrriteerd raken.

Drinken en snuiven komt tegenwoordig nauwelijks meer voor.

 

 

Oordeel over het gebruik van 'den aether'.

 

In het tijdschrift 'Vaderlandsche Letteroefeningen' of tijdschrift van Kunsten en Wetenschappen, Jaargang 1847 lezen we het volgende over aether:

 

'De beroemde Handärts dieffenbach, te Berlijn, heeft, in den weinigen tijd, die hem van zijne drukke praktijk overblijft, een hoogstbelangrijk werk geschreven, onder den titel: de Aether als middel tegen pijn; de opbrengst daarvan is voor de armen bestemd. Ten slotte van dit werk zegt hij: 'Volgens hetgeen tot nog toe over het aanwenden van aetherdampen bij heelkundige kunstbewerkingen waargenomen is, hebben wij regt tot deze gevolgtrekkingen: De aetherisatie is in staat het hoogste pijngevoel bij de grootste chirurgicale operatie volkomen weg te nemen. De aetherisatie kan echter ook verhooging van het pijngevoel en razernij (Tobsucht) ten gevolge hebben. De aetherisatie is gevaarlijk voor het leven bij overhelling tot beroerte, bloedspuwing en ook nog in andere omstandigheden. Overdrijving der aetherisatie kan oogenblikkelijken dood aanbrengen. Het bloeden is bij kunstbewerkingen sterker dan anders, en evenzeer de neiging tot nabloeden. Wonden, die onverwijld gehecht worden, heelen even snel, wonden met verlies van stof gewoonlijk langzamer. Het gezondheidsgevoel (das Befinden) der geaetheriseerden na chirurgicale kunstbewerkingen is over het algemeen minder gunstig dan bij die, welke zonder aether geopereerd zijn. Het middel is evenzeer te hoog als te laag geschat geworden. Telt men nu al de kleine, aan de aetherisatie verbondene nadeelen bij vele personen te zamen, zoo komt daaruit eene grootere som van ongesteldheden voort; ook blijkt, dat, onder duizend geaetheriseerden en niet-geaetheriseerden, bij de eersten eenige sterfgevallen meer dan bij de laatsten plaats hebben. Desniettemin is de waarde van het middel bij pijnlijke operatiën groot, en zoodanig, dat uit hetzelve, bij omzigtig gebruik, voor de lijdende menschheid een aanmerkelijk voordeel ontstaan is, vooral wanneer het met de uiterste behoedzaamheid en slechts bij bewerkingen die zeer veel pijn veroorzaken, aangewend wordt.' - Dit is de slotsom van het met rijke ondervinding in den volkstoon opgestelde geschrift'.

 

 

Chloroform als verdovingsmiddel

 

Sir James Young Simpson ontdekt de verdovende eigenschap van chloroform. Rond het jaar 1900 wordt chloroform gebruikt als verdovingsmiddel bij operaties (anesthesiologie).


Als verdovingsmiddel is chloroform al snel vervangen door ether en lachgas, die grotere therapeutische breedten hebben. Chloroform wordt gezien als potentieel kankerverwekkend en kan leverschade veroorzaken daar het in de lever wordt gemetaboliseerd tot fosgeen. Chloroform kan onder invloed van UV-licht met zuurstof tot fosgeen reageren, het wordt daarom bij voorkeur bewaard in een bruinglazenfles.


Chloroform is dan ook ongeschikt om iemand bij verrassing te bedwelmen om hem te ontvoeren, in tegenstelling tot wat detectiveromans en -films ons willen doen geloven. Daarbij is de dosis al snel te hoog en kan het slachtoffer makkelijk overlijden. Het verschil tussen een werkzame en een dodelijke dosis is bij chloroform namelijk zeer klein. Een sterke chloroformdamp-concentratie die ook daadwerkelijk (diep) ingeademd wordt, veroorzaakt bewusteloosheid binnen een minuut.

 

 

 

 

Bronnen:

 

Historiek.net
Jellinek.nl

 

 

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 16 juli 2020.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top