Het Grijzemonnikenklooster of Menterne te Baamsum

 

Beknopte geschiedenis

Baamsum is een gehucht in de gemeente Eemsdelta in het oosten van de provincie Groningen. Het ligt aan de weg van Woldendorp naar Termunten. Tot de gemeentelijke herindeling van 1990 hoort het bij de gemeente Termunten. De Oude Ae stroomt langs het gehucht. De naam komt in de middeleeuwen al voor als Bompsum en Baemzen. De betekenis zou volgens de Nieuwe Groninger Encyclopedie (1999) afgeleid zijn van heem (woonplaats) van Badumar. Baamsum vormt een zelfstandig dorp binnen het kerspel Groot-Termunten en heeeft tot halverwege de 15e eeuw een eigen rechtstoel. Iets ten westen van het gehucht heeft tot het einde van de 16e eeuw het Cisterciënzer klooster Menterne gestaan, ook bekend als Grijzemonnikenklooster. Het klooster wordt gesticht aan het einde van de 16e eeuw door monniken uit het klooster van Aduard. Op de plaats van het klooster staat nu een boerderij die 'Grijze Monnikenklooster' heet. Bron v.d. kaart: Wikimedia.

 

Grijzemonnikenklooster of Grijzemonniken is een wierde en voormalig gehucht ten westen van Baamsum en ten noordoosten van Lesterhuis dat tussen Woldendorp en Termunten ligt. Er staat nog één boerderij met de naam de ‘Grijze Monnikenklooster’. De boerderij ligt aan een meander van de Oude Ae, een restant van de Munte. Langs de boerderij loopt de Kloosterlaan zoals duidelijk op de kaart links is te zien. De naam van het klooster komt ook vaak voor als Menterne en meestal wordt als plaats Termunten aangegeven. In dit artikel gaan we echter uit van Baamsum, omdat dat de geschiedkundige plek is waar het klooster daadwerkelijk heeft gestaan. Als je in Termunterzijl een visje wilt eten en even wilt genieten van de oude haven rijd ik altijd via Oostwold over Woldendorp en Baamsum om te genieten van het landschap over de smalle wegen.

 

Op de wierde bij Baamsum wordt in 1299 het Cisterciënzer monnikenklooster Menterne hersticht, omdat het klooster Menterwolde bij Nieuwolda niet veilig genoeg meer ligt. Volgens diverse 18e- en 19e-eeuwse bronnen wordt het klooster ook wel Trium Montium (Drie Bergen of Drie Heuvelen) genoemd.

Ook wordt het klooster, omdat het gewijd is aan Benedictus, ook wel St. Benedictusklooster (Sanctus Benedictus in Menterna) genoemd. Ten slotte draagt het ook wel de naam Grijzemonnikenklooster, naar de grijze kleur van de kappen die de Cisterciënzer monniken hebben gedragen. Het klooster is een dochterklooster geweest van het klooster van Aduard.

Op het kloosterterrein, dat binnen de grachten ongeveer 3 hectare omvat, hebben zich onder andere een korenmolen, een smederij en een achtkantig waterreservoir bevonden, terwijl buiten de wallen vermoedelijk een tichelwerk heeft gestaan. De abt heeft vermoedelijk tevens de leiding over het Termunterzijlvest.

 

Het klooster heeft onder andere voorwerken in het iets zuidwestelijker gelegen Lesterhuis en in Rysum (Krummhörn, Rode Voorwerk), een wierde en dorp in de Duitse gemeente Krummhörn, in bezit gehad, veenderijen in de Dollard (Munnikeveen) en in de omgeving van Muntendam. Het klooster bezit parochierechten in Wagenborgen en in de verdwenen nederzetting Zwaag ten zuiden van de Punt van Reide, waarvan de dorpskerk in 1419 wordt ingelijfd.

 

In de stad Groningen bezit het klooster een refugium op de hoek ('de Horne') van het Martinikerkhof met de Sint-Jansstraat (St. Johannesstrate) en daarnaast een refugium te Appingedam.

 

 

Identificatienummer NL-GnGRA_818_14678. Geografische aanduiding Delfzijl, Termunten, Baamsum. Documenttype Foto. Titel/opschrift Termunten: Baamsum 3: boerderij 't Grijze Monnikenklooster. Eigenaar / bewoner J. van 't Westeinde. Vervaardiger: Douma, M.A. Datum: 1976. Bron 818_14678.jpg Uit de collectie van Groninger Archieven.

 

 

Links ligt het voormalige kloosterterrein, tussen de bomen ligt de boerderij Grijzemonnikenklooster. Op de voorgrond stroomt de Oude A. Foto: Martin Hillenga.

 

 

In 1407 is Boinghus (ook Boynghus, Boyng of Boyen) abt van het klooster. Hij overziet het herstel van de tucht in de kloosters in Groningen en Friesland.

 

In 1506 wordt in het klooster vergaderd over de vraag of de stad Groningen Edzard I van Oost-Friesland als heer moet aannemen. Ter nagedachtenis hieraan is later een penning geslagen (zie afbeelding hieronder).

 

Het klooster is in 1569 in brand gestoken en geplunderd door watergeuzen, waarop de weerloze monniken samen met de laatste abt Arnoldus Kenninck uitwijken naar Aduard. In 1577 gaat het klooster bestuurlijk samen met dat van Aduard. De goederen echter blijven behoren tot een afzonderlijk fonds. In 1578 wordt het Grijzemonnikenklooster afgebroken.

 

 

Zegelstempel van het klooster Menterne met daarop een gekroonde Maria met Kind (Jezus), geflankeerd door twee abten met kromstaf. Randschrift: S – CONVENTVS – SCI -BENEDICTI – IN – MENTTERNA. Bron: Collectie Groninger Museum.

 

 

Op de plek van het klooster zijn vervolgens twee boerderijen gebouwd. Eind 19e eeuw zijn beide boerderijen samengevoegd tot één nieuwe boerderij, die er nog steeds staat. De vijver die zich bij de boerderijen heeft bevonden is bij de samenvoeging gedempt. Delen van de funderingsmuur van het klooster zijn in 1997 aangetroffen bij een archeologisch proefonderzoek.

 

 

Kloostergemeenschappen van de Cisterciënzers

Van de zes Friese Cisterciënzer kloostergemeenschappen Klaarkamp, Bloemkamp in en Gerkesklooster in Friesland, Aduard (bij de stad Groningen), Ihlow (in Oost-Friesland) en Menterne, is de laatste zonder twijfel de minst bekende en slechtst bestudeerde. De serieuze publicaties over de aan Sint Benedictus gewijde abdij van Menterne,  de Grijzemonnikenklooster, klooster Termunten of Baamsumer klooster, zijn op de vingers van één hand te tellen. Ze hebben daarbij slechts de omvang van kleine artikelen. Dat is niet omdat Menterne als laatste van genoemde zes in de orde is opgenomen, te weten in 1259. Doorslaggevend is dat de abdij geen archief, geen kroniek en ook weinig bouwsporen heeft nagelaten. Toch is er wel het een en ander naar voren gekomen, door het ontleden van luchtfoto’s en hoogtekaarten en het herlezen van de overgeleverde tekstfragmenten in oorkonden en kronieken [1].

 

Uitgangspunt daarbij is de locatie van het kloostercomplex in het landschap even ten zuiden van Termunten en westelijk van de buurschap [6] Baamsum. Dit is niet de eerste maar de tweede vestigingsplaats van het monnikenklooster. Het oude heeft in Menterwolde (Menterwalt) gestaan, bij wat Nieuwolda is gaan heten en draagt in het Latijn de naam 'Campus Silvae', wat letterlijk vertaald kan worden als Woldkamp. We weten uit de kroniek van Aduard dat de monniken van Menterwolde enkele decennia na de incorporatie in de orde besluiten een totaal nieuw complex elders op hun bezit aan te leggen, dat op 2 augustus 1299 in gebruik is genomen. Dit kan niet anders dan een goed voorbereide onderneming zijn geweest, waarbij de kloosterleiding de vrijheid heeft gehad het terrein precies zo in te richten als ze het wil hebben.

 

Wat we bij Menterne vanuit de lucht en op de kaart waarnemen, doet veronderstellen dat het een grootschalig nieuwbouwproject betreft waaraan minstens tien jaar is gewerkt. Nu we met moderne technieken een aantal grondsporen tevoorschijn kunnen toveren, dringt zich als vanzelf een aantal thema’s op die aandacht vragen. Gelet op de waarde die men in de Cisterciënzer orde hecht aan uniformiteit is de voornaamste kwestie die van de systematiek: welk model of welke modellen heeft men proberen na te volgen en wat zegt de voorlopige reconstructie over de spankracht van de Cisterciënzer orde in deze regio aan het einde van de 13e eeuw, als de spectaculaire vermenigvuldiging van Cisterciënzer kloosters elders in Europa voorbij is en veel al lang bestaande abdijen moeite hebben om zich staande te houden?

 

 

 

De kleding van de Grijzemonniken (Cisterciënzers). Auteur: Tom Lemmens. Licentie: Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie.

 

 

Stichting en aansluiting bij Cîteaux

Menterwolde bij Nieuwolda is niet als Cisterciënzer abdij gesticht. Op het moment dat het in de bronnen opduikt, is het een dubbelklooster met monniken en monialen (koornonnen) dat niet bij een bestaande orde is aangesloten. Folkert Bakker en Renée Nip noemen het een Benedictijner convent. Dat zou heel goed kunnen. Tal van kloosters in de Friese landen, ook conventen die vroeger of later aansluiting hebben gevonden bij de Cisterciënzers, Premonstratenzers en Johannieters, zijn als autonome gemeenschap begonnen, levend volgens de regel van Benedictus. Omdat er vóór de 13e eeuw geen echt Benedictijner kloosterverband heeft bestaan in Groningerland met eigen statuten, een wetgevende vergadering van abten en een jaarlijkse visitatieregeling, zijn zulke instellingen min of meer zelfstandig geweest.

Het wapen van cisterciënzers. Auteur: Mangouste. Creative Commons Attribution-Share Alike 2.5 Generic, 2.0 Generic en 1.0 Generic licentie.

Wel oriënteren ze zich voor de inrichting van het kloosterleven altijd op een bestaand Benedictijner klooster, waarmee ze dan een dochter-moederrelatie aangaan. Wie de 'moeder' van het in 1247 al bestaande Menterwolde is geweest, is niet bekend. We zullen kunnen denken aan het omstreeks 1183 gestichte Feldwerd, dat eveneens een dubbelklooster is geweest. Anderen gaan uit van het klooster te Aduard.

 

Meer dan gissen is dit echter niet. Evenmin weten we wie de Menterwolde-gemeenschap precies op gang gebracht heeft en wanneer. De datum van 1220 die hier en daar in de literatuur opduikt, is in geen betrouwbare bron terug te vinden.

 

Niettemin zal een convent dat bij de eerste kennismaking uit twee complete koorgemeenschappen heeft bestaan, in 1247 al wel een paar decennia hebben bestaan.

 

Wat de vestigingplaats betreft, is de naam Menterwolde niet onderscheidend. Blijkens de kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum wordt die in de 13e eeuw gebruikt om het gehele veengebied ten zuiden van de Munter Aa aan te duiden. Het oorspronkelijke kloosterterrein heeft bij Nieuwolda gelegen op een plek die lang met de naam d’Olde Stove, Olde Stoeve of De Stoeff wordt aangeduid. Het terrein met bijbehorend gebouwencomplex, dat sinds de verhuizing van 1299 als agrarische uithof zal hebben gediend, is na de Dollardinbraak van 1509 ten prooi geraakt aan water en slib.

 

 

Het grafveld bij de Olde Stoeve. Bron: Nieuwsblad van het Noorden, 21 november 1951.

 

 

Omstreeks 1580 wordt het een vledder (moeras) in de uterdycken (buitendijks gebied) genoemd. De archeoloog Herre Halbertsma heeft er in 1951 een opgraving verricht nadat een boer er met het leggen van draineergreppels op skeletten stuit. Veel meer dan alleen een grafveld is overigens niet gevonden (zie afbeelding boven). In 1997 zijn bij een verbouwing van een ter plaatse gevestigde landbouwschuur ook nog enkele funderingsresten tevoorschijn gekomen.

 

Zou men de Dollardlagen kunnen wegschuiven en het terrein helemaal op de schop nemen, dan zou men op een complex stuiten dat in 1259 van opbouw of karakter moet zijn veranderd. In 1247 draagt het Cisterciënzer generaal kapittel de abten van Klaarkamp en Ihlow op om de plaats te inspecteren. De bedoeling van de gemeenschap ter plaatse is dat uit haar ene klooster twee afzonderlijke abdijen opgebouwd zullen worden, namelijk een voor monniken en een voor monialen [4].

 

Dat is in de praktijk niet helemaal gerealiseerd. Overeenkomstig de uitgangspunten van de orde moeten de vrouwen ruimtelijk van de mannen gescheiden worden. In dit geval wordt gekozen voor de bouw van een vrouwenklooster onder Midwolda, zo’n zeven kilometer naar het zuiden, op een veenkavel dat dan kennelijk al tot het kloosterbezit toebehoort. Dit nieuwe vrouwenhuis krijgt de status van priorij die rechtstreeks onder het gezag staat van de abt van Menterwolde. Deze constructie is overigens heel gewoon in het Cisterciënzer bestuursdistrict Frisia. Enkele decennia eerder is ze al toegepast bij de opname van het Benedictijner dubbelklooster Meerhusen [7]. Dat is toen gesplitst in een vrouwenpriorij die op de oude plek gevestigd blijft en dus de naam Meerhusen heeft behouden, en een nieuwe mannenabdij die de Latijnse naam 'Schola Dei' krijgt en waarvoor een geheel nieuw complex is gebouwd te Ihlow. Het zal een low budgetoplossing zijn geweest. De nonnen kunnen voor hun levensonderhoud immers een beroep blijven doen op bijstand door lekenbroeders van het hoofdconvent.

 

Wat we bij Menterne vanuit de lucht en op de kaart waarnemen, doet veronderstellen dat het een grootschalig nieuwbouwproject betrof waaraan minstens tien jaar gewerkt is. Nu we met moderne GIS-technieken een aantal grondsporen tevoorschijn kunnen toveren, dringt zich als vanzelf een aantal thema’s op die aandacht vragen. Gelet op de waarde die men in de cisterciënzer orde hechtte aan uniformiteit is de voornaamste kwestie die van de systematiek: welk model of welke modellen heeft men proberen na te volgen? En wat zegt de voorlopige reconstructie over de spankracht van de cisterciënzer orde in deze regio aan het einde van de dertiende eeuw, toen de spectaculaire vermenigvuldiging van cisterciënzer kloosters elders in Europa voorbij was en veel reeds lang bestaande abdijen moeite hadden om zich staande te houden?

 

Het heeft wel wat voeten in de aarde gehad eer de communiteit in de orde wordt opgenomen. De laat 15e eeuwse abtenkroniek van Aduard geeft 1259 als datum. De informatie over de bezetting van het nieuwe mannenklooster met twaalf met name genoemde koormonniken uit Aduard is zo gedetailleerd dat de auteur ervoor een abtencatalogus van Menterne moet hebben gebruikt. De tijdspanne van 12 jaar tussen 1247 en 1259 is lang maar toch niet langer dan die van Meerhusen/Ihlow, die de periode 1217-1230 beslaat. De orde wil in beide gevallen zeker weten dat de nieuwe combinatie economisch levensvatbaar is en geeft zijn fiat pas op het moment dat de herinrichting van het bestaande complex en de nieuwbouw van het pendantklooster afgerond zijn.

 

Bij de priorij Midwolda zal dat laatste – de verplichte bouw van een gebedshuis (oratorium), een eetzaal met keuken (refectorium) en een slaapzaal (dormitorium) – niet zoveel inspanningen hebben gevergd. De oorspronkelijke kloosterkerk, die in 1944 door Van Giffen en Halbertsma is opgegraven, bestaat uit een éénschepige ruimte met een halfrond gesloten koor en een lengte van 28 meter. Dat duidt op een uiterst bescheiden opzet. De bouw van het Midwolder complex zal anders dan die van het nieuwe Ihlow geen twaalf jaar in beslag hebben genomen. Wellicht heeft men voor beide kloosters eerst naar nieuwe sponsors gezocht voor de verbreding van de materiële basis.

 

Reden voor de verhuizing

Menterwolde alias Woldkamp kreeg in de jaren 1247-1259 in elk geval een nieuwe bestemming als Cisterciënzer mannenklooster. Dat zal geresulteerd hebben in aanpassing en uitbreiding van de bestaande gebouwen. De Duitse historica Heidrun Wiesenmüller suggereert dat de Cisterciënzers meteen in 1247/1259 al hebben willen verhuizen in verband met de vernattingsproblemen van het Woldgebied. Volgens haar is de hele aansluiting bij de Cisterciënzer orde erop gericht meteen materiële en technische hulp van Aduard te krijgen. Vermoedelijk beschikken de uit Aduard overgekomen lekenbroeders inderdaad over meer waterstaatkundige expertise dan de oude conversen van het dubbelklooster. Het verkrijgen van materiële steun is naast een betere privilegiëren het hoofdmotief voor vrijwel alle Benedictijner kloosters die bij een krachtige orde geïncorporeerd willen worden. Dat de nieuwe Cisterciënzers van Menterwolde het oude complex slechts provisorisch hebben willen aanpassen met het oog op een pas dertig jaar later te realiseren verhuizing, ligt echter niet voor de hand.

 

Menterwolde is van oorsprong een door veengroei hooggelegen gebied dat in de 11e en 12e eeuw ontgonnen is voor gebruik als landbouwgrond. Veenontginning leidt door ontwatering en oxidatie van de teeltlaag tot bodemdaling. Dat gaat niet van de ene dag op de andere, maar zeker is dat de inwoners van Menterwolde het gaandeweg moeilijk krijgen met het wegwerken van hun overtollige water. Door de steeds lagere ligging van hun territorium ten opzichte van het voorliggende Klei-Oldambt dat wel zijn hoogte heeft behouden, daalt de stroomsnelheid van de Munter Aa en andere veenriviertjes. Daarbij verzanden deze ook steeds sneller bij hun monding, alles met negatieve gevolgen voor de welvaart van de veenstreek. Het eerst zo rijke Menterwolde dat in de eerste helft van de 13e eeuw nog vele steenhuizen en rijke kerken telt, dreigt in versneld tempo een badkuip te worden die de inwoners agrarisch steeds minder oplevert.

 

Het omslagpunt is niet makkelijk in de tijd te plaatsen. Wij denken toch eerder aan de jaren zeventig dan aan de jaren vijftig, en wel op grond van het relaas van abt Menko van Wittewierum over de hongersnood van 1272/1273. Als hoofdoorzaak van de catastrofe noemt de kroniekschrijver de ongewoon zware regenval die in de voorgaande vier jaar heeft plaatsgevonden en die tot zeer magere oogsten heeft geleid. De situatie is juist daar schrijnend waar de akkers door hun lage ligging lang onder water hebben gestaan. Het kan geen toeval zijn dat de Wolden onder de gebieden wordt genoemd waar groot gebrek aan voedsel optreedt en woekerprijzen voor het graan gerekend worden. Natte voeten dus, eerder door bodemdaling dan als gevolg van stormvloeden. Want anders dan vaak gedacht lijken grote overstromingen in dit tijdvak nog geen belangrijke rol te hebben gespeeld.

 

 

Waarom naar Menterne

Welke overwegingen doen de Cisterciënzers uiteindelijk bij in de bocht van de Munter Aa ten westen van Baamsum belanden? Het antwoord op die vraag kan het beste gegeven worden aan de hand van een reconstructie van het kloosterbezit. Op bijgaande kaart hierboven tref je daartoe twee gegevenslagen over elkaar heen geprojecteerd op de topografische kaart van omstreeks 1900. De eerste laag, geel omkaderd, is overgenomen uit de bekende atlas van Siemens.


De tweede, in oranjerood, is samengesteld met gegeorefeerde, dat wil zeggen precies op het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting ingepaste, kaarten van het voormalige bezit van Grijzemonnikenklooster uit de Atlas der Provincielanden. Deze kaartlagen passen niet overal precies op elkaar.

 

Het voert te ver het waarom daarvan te bespreken. Wat het meeste opvalt, is dat het zwaartepunt van Menternes goederen in het Klei-Oldambt heeft gelegen. We zien belangrijke kernen van meer dan 100 ha bij Wagenborgen, Lalleweer en Menterne.

 

Daaruit wordt duidelijk dat de bezitsverwerving niet op het Woldgebied gericht is maar op de klei. Het is een patroon dat bij veel Cisterciënzer en Premonstratenzers kloosters valt waar te nemen. Zij hebben een voorkeur voor deze gebieden omdat ze agrarisch nu eenmaal beter renderen dan inklinkend veenland. En met waterloop technische maatregelen zijn ze snel tot extra productiviteit te brengen.

 

De bezitsverhoudingen aan het eind van de Middeleeuwen kunnen niet zomaar terug geprojecteerd worden op de situatie omstreeks 1300. Maar voor de kloosters van de 12e en 13e eeuw geldt wel de vuistregel dat ze elk het overgrote deel van hun bezit in de eerste vijftig tot honderd jaar van hun bestaan hebben verworven. Daarna is eerder sprake van verlies dan van winst. Slechts in de hervormingsperiode van de 15e eeuw hebben sommige conventen een opbloei gekend die enige aanwas met zich meebrengt. Menterne heeft onder abt Boing zo’n doorstart beleefd, maar die zal eerder tot consolidatie van het bestaande patrimonium hebben geleid dan tot extra landaankoop. Wat we op de kaart zien, zal daarom grotendeels vóór 1300 zijn verworven. Dat geldt ook voor de voorwerken die als grote exploitatiecentra op die goederen zijn gebouwd. Daarbij kunnen we wel een versnelde expansie aannemen voor de jaren na Menterwolde’s aansluiting bij Cîteaux.

 

De uithoven, in het Latijn grangiae genoemd, van Menterne zijn slecht onderzocht. In het Klei-Oldambt kennen we er tot dusver nog maar één: die van Lalleweer, een wierde. Lesterhuis gaat wel door voor een grangia van Menterne, maar dat blijkt bij nader inzien onjuist. Het voorwerk behoort toe aan het premonstratenzer klooster Ter Lee (Duitsland), dat daarmee pal aan het Cisterciënzer hoofdcomplex van Menterne grenst. Dit verder buiten beschouwing gelaten, schatten we dat op de plaats waar Menterne verrijst ook eerst een door lekenbroeders uitgebaat agrarisch bedrijfscomplex van grote omvang, heeft gestaan. Als monniken een verhuizing van hun klooster in overwegen nemen, laten ze hun oog daartoe vaak vallen op een van hun reeds bestaande exploitatiecentra. Iets dergelijks lijkt zich hier te hebben voorgedaan. Er ligt veel vruchtbaar land in een aaneengesloten geheel om de veronderstelde uithof heen. Daarbij wordt de locatie van Menterne, anders dan Lalleweer, omsloten door een meander van de Munter Aa, die niet veel verderop in zee uitmondt. Die stroom kan mooi gebruikt worden om de aan- en afvoer van water in het kloostercomplex te organiseren (zie de kaart bovenaan deze pagina).

 

De inrichting van het nieuwe kloosterterrein

Het zijn luchtfoto’s die ons de systematische inrichting en opbouw van het nieuwe kloostercomplex laten zien. Ze zijn in diverse jaren genomen, in verschillende jaargetijden en atmosferische omstandigheden. Opvallend is dat de plattegrond van de kerk er in grove lijnen goed op uitkomt (zie de afbeelding hiernaast). Alleen voor de westpartij zijn de lijnen minder duidelijk. De foto uit 1944 laat zien wat de reden daarvan is: de toen op last van de Duitsers gegraven tankgracht is er schuin doorheen getrokken (zie de twee afbeeldingen hieronder).

 

 

Luchtfoto van het kloosterterrein, circa 2010. Rechts in het midden de sporen van de kerk en de overige gebouwen.

Een projectie van de contouren van de kerk en het kloosterterrein op een luchtfoto uit 1944. Ook de tankgracht is hierop te zien.

 

 

Een archeologische opgraving heeft hier nooit plaatsgevonden. Vermoedelijk zitten er nog veel puin- en funderingsresten in de grond, maar dan wel op enige diepte, omdat na 1594 alle bruikbare steen uitgebroken is voor de versteviging van de dijken in de omgeving. Het terrein is sindsdien intensief gebruikt als akkerland. Wat we daarom waarnemen, zijn sporen als gevolg van afwijkende vochtomstandigheden in de bodemlaag boven de verdichte fundering resten. Ze komen vooral goed naar voren in perioden van droogte. De sporen kunnen met Geografische Informatie Systeem (GIS)-technieken weergegeven worden op diverse andere typen kaarten.

 

 

Het voormalige kloosterterrein op de kaart van landmeter Henricus Teijsinga in de Atlas der Provincielanden uit 1731.

 

Hier zien we een combinatie van een luchtfoto uit 2008 en de landmeterskaart van Teijsinga uit 1731.
Rood: Funderingssporen van het klooster en de andere bijbehorende gebouwen.
Blauw: Sporen van grachten of wegen.

 

 

Zo bijvoorbeeld met als achtergrond de tekening van het voormalige kloostercomplex op de manuscriptkaart van Henricus Teijsinga uit 1731 (twee afbeeldingen hierboven. Daarbij valt meteen op dat de kerk te lokaliseren is op het perceel met de naam Oude Kerkhof.

 

Inzichtelijk is ook de projectie op de hoogtekaart van het verbeterde AHN, Actuele Hoogtebestand Nederland (afbeelding hierboven).

 

Wat leren deze spectaculaire beelden ons nu over de ruimtelijke structuur van het in 1299 opgeleverde Menternecomplex? Uit de hoogtekaart met de bijbehorende profielen kunnen we afleiden dat hier langs de oevers van de Munter Aa geen sprake is van een terpstructuur. Het gaat eerder om een zavelige kwelderwal die op de hoogste plaatsen niet meer dan één meter boven NAP uitstijgt. Of hier zich ook voor de 12e eeuw mensen gevestigd hebben, zal nader archeologisch onderzoek moeten uitwijzen. Onwaarschijnlijk is het niet.


De naam Baamsum, voor de boerderijennederzetting op de oostelijke oever van de Aa, lijkt een heemnaam en die zal zeker van vóór het jaar 1000 stammen. Voor de latere kloosterplek is geen eigen huisplaatsnaam overgeleverd: Menterne is eerder een streekaanduiding, die ook versteend is geraakt in de namen van de parochies ‘Groot en Klein Termunten’. Een en ander doet veronderstellen dat alleen daar waar nu een boerderij staat, ook vóór de kloostertijd mensen hebben gewoond. Het territorium ten zuiden daarvan is dan onbebouwd, wat de monniken een kans biedt om althans het kerk-en-kloosterhofcomplex geheel vrij naar eigen inzicht op te bouwen en in te richten.

 

Wanneer we het totaalbeeld voor Menterne vergelijken met de reconstructies van het veel oudere Klaarkamp bij Rinsumageest (Friesland) en Ihlow bij Aurich in Duitsland dan valt op hoe planmatig ook de opzet van Menterne is geweest (zie -verkleinde- afbeelding hieronder).

Op de bovenstaande afbeeldingen wordt het kloostertrerrein van Menterne vergeleken met dat van Ihlow en Klaarkamp. Links: luchtfoto 2014, 80.000 vierkante meter incl. gracht. Midden: Luchtfoto: 2006, 69.000 vierkante meter inclusief gracht. Rechts: Luchtfoto 2014, rechts 165.000 verkante meter inclusief gracht.

 

 

Het terrein van Menterne toont eenzelfde ruimtelijke structuur, met een omvangrijk door dubbele grachten omsloten terrein. Bedenken we daarbij dat dit geheel een immuniteit heeft gevormd, die vrij is van belastingheffing en waarop het asylrecht van toepassing is geweest. De oppervlakte van het Menterne-complex is wel ruim de helft kleiner dan die van Klaarkamp (69.000 tegenover 165.000 m2) en ook iets kleiner dan die van Ihlow, maar de opbouw is identiek geweest: de noordelijke helft is van de zuidelijke gescheiden door een tussengracht. Dit gedeelte moet namelijk door leken betreden kunnen worden omdat er de agrarische bedrijfsgebouwen zoals een akkerbouwhuis, een koehuis, een melkhuis, een hooiberg en allerlei schuren gevestigd zijn geweest.

 

Verder zal men hier een appelhof en (moes)tuinpercelen aangetroffen hebben. Dit is het terrein waar alle activiteiten plaatsvinden die nodig zijn geweest voor het grove levensonderhoud van de kloostergemeenschap. Te Klaarkamp wordt het aangeduid als het Hofland. Het kan geen toeval zijn dat de nog bestaande boerderijcomplexen zowel te Menterne als bij Klaarkamp zich nog precies op dit gedeelte bevinden. Na de opheffing van beide kloosters in respectievelijk 1580 en 1594 kunnen geïnteresseerde pachters er de schuren en koehuizen overnemen die op dat moment nog in gebruik zijn.

 

Verder springt in het oog dat het spirituele middelpunt van de abdij, bestaande uit de kerk ‘cum annexis’, net als bij Ihlow en Klaarkamp door een gracht of laagte ook van het westelijk terrein gescheiden is geweest. Het vormt een eigen kwadrant, dat slechts een gecontroleerde verbinding met het voorhof mag hebben. Bij Klaarkamp hebben archeologen enkele jaren geleden juist in dit gedeelte een proefsleuf getrokken. Dat heeft ondanks veel puinvondsten nog niet tot duidelijke conclusies geleid. Vermoedelijk moeten we hier tenminste een gastenverblijf situeren en aan de buitenkant, een poortgebouw. Het abtshuis en de infirmerie hebben bij alle drie de kloosters eerder aan de zuidzijde van het kerkelijk kwadrant gestaan. De hoogtekaart geeft voor Menterne overigens aan dat het terrein daar relatief laag heeft gelegen. Op het zuidwestelijke hoekpunt zal ergens een verbinding zijn geweest met de Munter Aa, van waaraf een waterstroompje langs de gebouwen is geleid, via onder meer de keuken, het lavabo (wasgelegenheid) en de latrines (toiletten).

 

De kerk

We kunnen in deze bijdrage niet alle elementen van de Cisterciënzer kloosterplattegrond nalopen. Zonder archeologische toetsing kan alleen sprake zijn van een paar voorlopige indrukken. Interessant zijn daarbij zeker de vorm en afmetingen van de kerk. De lengte beloopt omstreeks 60 meter, tussen het eind van de abcis in het oosten en de lange noord-zuid lopende lijn in het westen. Waar die laatste lijn dik is, lijkt hij een westelijke kerkmuurfundering weer te geven. Waar hij dunner wordt, zou het kunnen gaan om een muur-funderingsspoor van de conversenruimte. Zoals gezegd worden de west-oostgaande lijnen van het schip na de noord-zuidlijn gebroken door de tankgracht van 1944. De situatie tot aan het dwarspand is evenmin goed leesbaar. In analogie met het overgrote deel van de Cisterciënzer kloosterkerken in West-Europa moeten we hier uitgaan van een drieschepige basiliek. Het dwarspand, met een lengte van circa 25 meter, zal eveneens drieschepig zijn geweest. De koorsluiting toont zich in de eerste oogopslag als een 5/8 polygoon (veelzijdige veelhoek).

 

 

Afbeelding hierboven: Kloosterplattegronden van Menterne, Ihlow (Oost-Friesland), Aduard en Klaarkamp (Bovenste rij.
Daaronder op elkaar geprojecteerd.

 

 

Hoewel enige voorzichtigheid geboden is bij deze interpretatie lijkt de kerk sterk op die van Ihlow. Bij het over elkaar heen projecteren van de vormen (zie afbeelding hierboven) blijkt dat het niet gaat om een 100% replica. De lengte-breedteverhoudingen liggen echter heel dicht bij elkaar in vergelijking met de kloosterkerken van Klaarkamp en Aduard. Omdat inmiddels bekend is dat de monniken van Ihlow pas in de jaren tachtig met de bouw van hun kerk begonnen zijn, roept dit de vraag op of de Cisterciënzers van Menterne niet dezelfde bouwmeester hebben ingehuurd als hun medebroeders van ‘Schola Dei’ (Schule Gottes), het klooster van Ihlow in Oost-Friesland. In Ihlow is de kloostertuin opnieuw aangelegd. Deze wordt door vrijwilligers onderhouden.

 

Het blijft vooralsnog een kwestie van speculeren. Een overtuigend antwoord is pas te geven als er veel muur- en pilaardelen, vloertegelresten en ornamenten worden gevonden die grote overeenkomsten, dan wel verschillen met die van de Ihlower kerk vertonen.

 

De Abdij van Ihlow (Monasterium Sanctae Mariae in Schola Dei) is een voormalige cisterciënzerabdij in Ihlow in Nedersaksen. Het klooster is acht kilometer ten zuiden van Aurich (Oost-Friesland) gelegen. Van de voormalige kloosterkerk te Ihlow zijn de contouren in staal weergegeven. Foto: Matthias Süssen, 9 april 2010. Bron/licentie: Creative Commons Attribution 3.0 Unported licentie.

 

 

Over de ondergang van het klooster

In Aduard staat rond 1574 Arnoldus Rennink aan het hoofd van het klooster aldaar. Deze Arnoldus Rennink wordt afgeschilderd als een wijs en zeer omzichtig man, die de Ommelander edelen in hun geschillen met de stad steeds met goede raad bijstaat. In het jaar 1574 worden de bezittingen van Baamsum gevoegd bij die van Aduard, wat waarschijnlijk niet in goede aarde valt, omdat het geschiedt ‘...tot aanzienlijke schade en afbreuk der armen en der zeedijken, ook indruiste tegen de mening der stichter en lieve voorvaderen,'’ zoals een Groninger schrijver het heeft uitdrukt.

 

In 1577 als de abt Arnoldus Lauth van Baamsum overleden is, wordt Rennink op verzoek van de Ommelander edelen tot abt benoemd, omdat men hem nodig heeft voor een bijlegging in de geschillen met de Stad. Lang heeft hij daarvan geen genot gehad. Bij de beruchte gevangenneming van de Ommelander edelen te Groningen is hij ook aanwezig. Hij wordt opgesloten in het huis van Westendorp bij de toren in de Stad. Hij wordt vervolgens ziek en overlijdt op 20 januari 1578. Wel wordt zijn lijk met eerbetoon buiten de poort naar ’t schip gebracht. De stad Groningen is een groot tegenstander kwijt.

 

De fundamenten en de laatste resen van het klooster zijn grotendeels opgeruimd omstreeks 1820. Het beslaat binnen de grachten een oppervlakte van ongeveer 3 ha. De dikke muren zijn 18 voet uit de diepte opgetrokken en het gewicht van een paar stenen bedraagt 9 kg. Men vindt in de grond een verbazende massa beenderen van dieren, enige wagens vol. In een van de cellen treft men ongeveer 200 kleine vingerhoeden aan. Zij zijn grotendeels gebruikt, zodat het wel schijnt dat er ook nonnen in het klooster aanwezig zijn geweest, maar wel door een middenmuur van de monniken gescheiden.

 

Behalve de vele mensenbeenderen, die zo maar los in den grond liggen, ontdekt men een geraamte met het hoofd op de handen rustend in een stenen dichtgemetselde doodkist.

 

De put is bijna geheel met modder gevuld; zij is gedeeltelijk met stenen opgemetseld en heeft een buitengewone diepte. Tegenwoordig is van het klooster niets meer over [5].

 

 

Tot slot

De voorlopige indruk die we uit zowel de tekstbronnen als het nu in kaart gebrachte luchtfotomateriaal opdoen, is dat de Cisterciënzers van Menterne bijzonder planmatig te werk zijn gegaan, zowel bij de aanleg van het kloosterterrein in totaal als bij de bouw van de kerk en het kloosterhofcomplex. Waarschijnlijk hebben daartoe ze ook de volledige vrijheid gehad, omdat een groot deel van het terrein eerder geen bewoning heeft gekend. De monniken lijken zich daarbij voor de terreinafbakening en –indeling sterk op hun nog jonge zusterklooster Ihlow In Oost-Friesland te hebben georiënteerd, dat ook vrijwel uit het niets kon worden opgebouwd en op zijn beurt mogelijk Klaarkamp als voorbeeld heeft genomen. De gelijkenis van de Menterner kerkgrondsporen met de kerkplattegrond van Ihlow is tenslotte zo sterk dat we vermoeden dat Menterne gebruik heeft gemaakt van de bouwers van Ihlow. Het bouwproject maakt in zijn omvang en systematiek wel duidelijk dat de Friese Cisterciënzers omstreeks 1300 nog allerminst met tegenwind te kampen hebben gehad. Integendeel, het toont hen op het toppunt van hun kunnen qua bouwdynamiek, kapitaalinbreng en infrastructurele techniek. Een laatste slotsom uit ons verhaal mag zijn dat een combinatie van disciplines en methoden, met name ook de inbreng van GIS, nog veel mogelijkheden biedt om de geschiedenis van de kloosters in Groningen en Friesland, die gebukt gaat onder een gebrek aan bronnen, nader te onderzoeken en op te helderen [1].

 

 

 

Gerelateerde artikelen:

Het Grijzemonnikenklooster bij Baamsum (dit artikel).
Het Grijzevrouwenklooster te Midwolda.

Het klooster Menterwolde bij Nieuwolda.

De Sint Bernardusabdij van Aduard.

 

 

 

Noten, bronnen en referenties:

 

1.J. Feikens en J.A. Mol, 'De nieuwbouw van het cisterciënzer klooster Menterne, ca. 1290-1300. Een verkenning van de ruimtelijke structuur', in: Groninger Kerken 32 (2015), p. 1-12. Johan Feikens is werkzaam als geo-informaticus bij de Fryske Akademy in Leeuwarden. Hij houdt zich daarnaast uit liefhebberij bezig met de geschiedenis van Noordoost-Groningen en is secretaris geweest van de Historische Vereniging Scheemda.De geheel (bewerkte) tekst en de kaarten zijn hiervan voor een groot deel overgenomen.
2.Aa, A.J. van der (1843), "Grijze-monniken-klooster", Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden Vierde Deel, pp. 866-867.
3. J.A. (Hans) Mol is onderzoeksmedewerker middeleeuwse geschiedenis aan de Fryske Akademy in Leeuwarden en bijzonder hoogleraar geschiedenis van de Friese landen in de Middeleeuwen aan de Universiteit Leiden. Hij publiceert regelmatig over de kloostergeschiedenis van het Noorden.
4. Monialen: Vrouwelijke kloosterlingen van een orde, meestal slotzusters, die het koorgebed bidden. Slotzusters hebben zich door plechtige eeuwige geloften verbonden binnen het slot te zullen leven, dat wil zeggen: binnen dat gedeelte van het klooster dat alleen voor kloosterlingen toegankelijk is.
5. Laurentius, Nieuwsblad van het Noorden, 9 december 1906.
6. Buurschap of boerschap, maalschap, ledschap, gilde, en in Latijnse bronnen burscapium, marca, villa, legio, collegium en concivium is de benaming voor zowel de in de middeleeuwen ontstane bestuursvorm in nederzettingen op het platteland in het oosten en noorden van Nederland, als voor die nederzettingen zelf. Men zegt ook wel: een goede buurschap onderhouden, wanneer men het heeft over de betrekkingen tussen buren, ofwel als goede buren met elkaar omgaan, of 'het gebuurlijk houden'. In deze zin is buurschap een meer algemene term voor relaties tussen buren, en minder een bestuursvorm.
Het begrip van de middeleeuwse "[buurschap]" verschilt hemelsbreed van het huidige 'buurt', dat voornamelijk een territoriale betekenis heeft. Het ook gebruikte 'buurtschap' is een veel gebruikte, maar incorrecte samentrekking van '[buurschap]' en 'buurt'. Het woord 'buurschap' verwijst naar een samenwerking van buren. De buren zijn de gezamenlijke inwoners van de buurschap. De term moet onderscheiden worden van het begrip marke en markegenoten: met de laatsten worden de eigenaren van de tot het gebruik van de gemeenschappelijke of onverdeelde gronden (de marke) bedoeld. Zij hoeven niet in de buurschap te wonen. De marke heeft beperkte taken, namelijk het beheer van de onverdeelde gronden. De buurschap heeft meer taken, w.o. de rechtspraak, het onderhoud van de wegen, de buurkapel (als die er is) en met betrekking tot het onderwijs. Een buurschap kan onderverdeeld zijn in afzonderlijke buurten, die verantwoordelijk zijn voor de burenhulp of noaberschop.
7. Meerhusen en Marckhusen worden in de 16e eeuw genoemd als dorpen die zouden zijn verdronken in de Dollard. De namen komen niet in middeleeuwse bronnen voor. Ook later keren deze namen niet terug. Meerhuissen duikt eerst op in een (onbetrouwbare) lijst van verdronken dorpen uit 1544. Het belandt dan als Meerhusen samen met Marckhusen op de Dollardkaart van 1574. Kennelijk is er sprake van een verdubbeling doordat de samensteller meerdere afschriften van de lijst heeft gebruikt. Op een kaart van Laurentius Michaelis uit 1579 komt wel het eiland Marchuse voor, waarmee Munnikeveen wordt bedoeld. Op dezelfde plaats karteert Johannes Florianus in 1592 Munckerveen.

 

 

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed.
Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen.........

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 16 april 2021.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top