FARMSUMER ZEENDBRIEF (OGD 288) (5)
6 juli 1325

 

Het eerste deel van dit artikel bevat de oorspronkelijke tekst van de Farmsumer Zeendbrief van 6 juli 1325. Het tweede deel is de transcriptie, ofwel de ‘vertaling’ in het Nederlands (voor zover mogelijk) van de oorspronkelijke tekst. Deze Zeendbrief (2) betreft een schikking tussen Hessel (4), proost te Farmsum, met zijn broeders en de ingezetenen van Oldambt en het Holwierderzijlvest (6), door de rechters van Reiderland en de afgevaardigden van Fivelgo, Hunsingo en Groningen. Het verhaal laat goed zien hoe de rechtspraak in 1325 fungeerde en wie er zoal bij betrokken waren.

 

Een klein deel van de Farmsumer Zeendbrief, waarin de onderzoeker met potlood nog aangeeft dat het hier 'vermoedelijk om Holwierde' gaat, maar dat is niet het geval. Echter, de ingezetenen van het Holwierderzijlvest zijn er wel bij betrokken geweest, evenals afgevaardigden van Fivelingo, Hunsingo, Groningen, een zekere Hessel (de proost van Farmsum) en ingezetenen van Oldambt, alsmede de proost van Farmsum en zijn beide broers. Ook worden er nog andere namen genoemd, die er ook bij betrokken zijn geweest.

 

 

Eerste deel: de oorspronkelijke tekst

 

 

Allen luden sy kundich ende openbaire, de desse schrijfft sien ofte horen lesen, dat wij Nonna Uwinga van Honingahan, Uneka Nawada van de Barch, Aiddo Winda van Uphuysen, Hayko Haikinga van Nyendarp; rechters in Reyderlandt, wo dat een schelonge was en twydracht tusschen Hessel, provest tho Fermsum, ende syne broeders, als Sickens en Baykes, van der eenre syde, unde meene meenheyt in den Oldeampt ende Holwerdrasijntvast mijt dat volck ofte lude van deer voorschreven provestie tho den Oldenampt van de andere syde, welcke sake was tusschen den voirschreven partyen verresen van dere vangenisse des officiaels van Munstere ende van der interdict ofte kercslach en banne, de swaire weren, welke voirschreven sake unse rechters voirschreven woirede tho voirestaen, also dat de meene rechters uut Frieslandt ende elinge ende guede mans voire den meene bequemheyt, nutticheyt unde vrede weren sick voiredragende saken, alse daire te doene was, alsoe dat vele seken woirden hyre unde daire geroert op dat laeste, dat de vorschreven lude hijr worden op oens, als hyrena steyt geschreven. Wy vorscreven rechters desse sake voirestaen tusschen den partyen vorschreven mijt dere hulpe Godes ende vele wyse priesteren ende andere mannen, besunderlinge twe uut Fywelingelandt, als Geerloff to Voerehusen ende Luluff Ubbema, unde twe uuth Hunsegalande, als Tiard Goscalsma ende Folckmare Onseda ende desgelycken uuth der stadt van Groningen twe, als Goert Sickinga ende Roeloff Buninga, soe hebbe wy desse zake vormits consent ende toewoert desser vorschreven partyen aldus ende egt ganschelijcken als hyrnae steyt geschreven.

1.      Int aerst dat de provest tho Fermsum en syne hulperen sollen den erbaren heren Lodewick, bisschop tho Munstere, van den ban ende den officiael voire[....] eene beteringe ende vangensccap ende voire dat doden graven ende voire sijn eighen anxt, die hie lett, ende voir des presters bernijnge, ende raeff ende allen schaden, der presteren unde lecken wedderevaren is, uuthgesecht drencken, synen schaden enen yegelijken besonderlinge tho betalen. Ende van allen anderen saken, voireval und schaden sal de provest unde syne meedehulpers voirevallen unde voirenoghen enen jewelycken na synen schaden. Ende so sal de provest tho Fermsum van den vangenen des officiael vijftien nye marck voire sijne beteringhe uuthmanen unde pynighen.
2.      Item weert sake dat ene kercke mijt wapendere hant besat ware ende voirewaert, de voirewarede sollen sondere orne schaden woireden voirewaart. En alle,wat de bisschop voire sulke saken begert, daire sal de provest voireschreven antwoirden, ende dat is to voirestaen van dessen zaken voireschreven in alle denuntationes ende kundighe ofte wroginghe *). De gescheen sijnt voiremits schepen ofte vogeden, de sollen rusten sundere pene ofte alle saken, de voer geroert sijnt.
3.      Item desse punten, de hyrena geschreven sijnt tusschen den provest tho Fermsum ende de ganse provestie. Sollen sondere alle argelist worden gheholden.
-Die eerste: weert sake dat een priester woirde ghekoren tot enen kerckheere van de gansen karspelluden ofte van den meestendeel dere meenten ende kerspelulyden, de sal tho der kercken  worden laten, ende ock so sal hij niet bekommert worden ghenerleye van de provest.
4.      Item weert sake, dat een waire verwonnen van den banne tho betalen in den eersten zeendt, den sal men manen; ende weert sake, dat deselve persone voire den laesten zeend neet vul en dede ofte op den laesten zeentdach, den sal men des laesten zeenddaghes bannen ende tusschen den twen zeenden so en sal niemand woireden gebannet van ghener saken wegen, ende oeck so en sal niemandt worden cyteert ofte ladet van de provest tusschen tween zeenden.

5.      Item weert zake , dat een zake waere, wairvan dat een kercke interdict woere ofte beslagen als doden to graven, de sullen bijck wesen in den vreesen in dere tijt als interdict in der kerken is, van welcken de provest syne ban mach nemen enen jewelycken als hijrna steyt geschreven. - In eerste, woert sake dat ene mijt sijnre nichte, ofte de hemelick were ofte de sijn huusfrouwe naast hemelick were, ofte dat sy byhemeliket sijnt dere machscop ofte nichten, dat sulke personen to hope tho doin hadden in echtschap ofte buten echtschap, de overspul dreven ofte twe in eenen slachten kun maken elck van de vorschreven punten, so mach de provest nemen vijf marck.
6.      Desgelykes, de descidium duet, als hij sulven in echtschap is, oft wo dat se weere ende een persone hadde tho doene met andere, de desgelyken in echtschap weere, ofte de ene persone vrij were ende de ander nicht, de broke, de den provest mach hebben, dat sijnt vijf marcken; ist sake dat de personen beyde moghen betalen, so mach hebben de provest van allen personen dertich scillingen.
7.      Item deghene de wokert, de breket den provest vijf marck; ende weert saken, dat een van den personen niet en konde betalen, so mach de provest hebben van denghenen, de betalen mach, dertich scillingen.
8.      Item voire die doit(e)slachte de daire gescheen op hillege dagen; daire sal men voire geven den banne een marck. Die hillige dage sijn desse, de hyrna staen schreven: de hillige Kersdach met dren naesten dagen, die hillige Paschedach met dren naesten dagen, Pinxterdaxh mijt dren naesten dagen; ende vijff hochtyden: unser Lever Vrouwen Marie, alle Aposteldagen ende alle Godes hilligendach ende alle Sondage.
9.      Item weert sake, dat twe personen van tween parten ofte fluten to hope quomen vochten voire den doetslachte ende voire den banne tho hope, macht de provest hebben van beyden fluiten ende beyden personen achteyn schillingen.
10.    Item disse vorscreven munten sal men rekenen na de Osnabrugse munte.
11.    Item desse vorschreven punten ende broke werden gekundiget van kerkvogeden, ende van niemant anders sal ment kundighen, ende sal gekundiget woireden in den rechten zeendstoel (3) ende anders nicht; ende so wroget de macht des provestes niemandt.
12.    Item desse broke unde overganck sal men kundighen unde anders gheen.
13.    Item de provest sal kundighen vrede den kercken ende alle schade, de gescheen sijnt in dere kercken ofte kerckhoff, de behoven beteringe ende verder winghe, ende presters
doodtslach ende andere andere gheestelycke lude in andere quadere seringhe, de een priester scheeden off ghestlycke lude gescheden.
14.    Item de andere broke unde schade de lichtere unde kleynere sijnt, solle woirden gekundiget van de vogeden raet, opdat alle punten woireden sondere all argelist gheholden, als vorschreven is. Ist sake dat de provest vake desse voirschreven areticulen bovenginghe, ende wolde des niet holden, soe sal de provest de meente de provestie betalen ende vorwysen mit dartich marck. Ende alsoe vake, als hy de voirschreven punten inbreckt, also vake sal hy dertich marck betalen ende sal worden berovet synere provestien, also lange als hy de voirschreven pene hevet betaelt.
15.    Item weert sake, dat de provest undere dessen jemant tho banne dede off ene kercke interdict sloghe, so solde hy betalen dubbelde pene ende gelt. Item desse voirschreven broke van den banne, de provest thohorende, sijnt uuth den olden biscop Everdes breven getogen ende nomen ende tot synen breven was sijn segel ghehanghen ofte gedrucket.
16.    Item als de provest wijl holden sijn recht ofte tho seendstoel wijl sitten, daire sijn recht is, soe mach hy komen mit dre personen ende nicht meeren mach hij hebben mit sick, als sulcken provesten ende dekenen in den rechten togewyset is.
17.    Item opdat desse vorschreven puncten gevestiget woirden ende in weerden holden ende hyrenaest worden holden, so sint thoe dessen breeff vele guedere lude segele ende landes segele thogehangen unde gedruckt, als de eerste provest Hessel tho Fermsum ende des landes segel van Eemschelandt, ende Reyderelandt ende Oldeampt, Fyvelingelandt ende Hunsengeland ende dere stad van Groeninghen.

18.    Item die borge van dessen vorschreven puncten ende recht van beyden to holden sint gheset: int eerst Ned Gerlijcks zoen, Brund Luidiga van Voorhusen de hebben ghelovet, dat de provest sal nicht inbreken, dat voirschreven is van den banne ende van den kondighen des bannes.
19.    Item Renro Renringe unde Etto sijn broeder tho Loederminze, Syabben zoen tho Enum ende Wilbo van Lyuppingehusen, desse veere hebbenen gelovet der helfften, dat provest Hessel ende sijn broeders sollen sundere schaden holden in geestelijcken unde in wertliken rechte deghenen, de sint van Holwirda sintfest, ende die oire to horen.
20.    Item Thijs Brundzema van Ernewert hevet gelovet de veerdendeel des andere helftes.
21.    Item Abeko Hildroarda ende Woko Dodema by der Westermaet hebbenen to hope gelovet de veerdendeel desselven helftes voirschreven.
22.    Item jonge Dodo Dodina, Ernsta Nena hevet sovele gelovet also vele als desse dre, de hijrenaest geschreven sint, behalven een sestendeel. Ende den sestendeel hevet ghelovet Gayko Gaykinga tho Garreaweere ende voire alle schade, de van desse sake ryset, daire hy voire lovet. Gescheen is dit voire recht, als men schreeff duysent drehundert ende vijff en twintich op den achtenden dach der hilligere Apostolen dach Petri en Pauli (7).

 

 

Kaart van zijlvesten en dijkrechten in de provincie Groningen in 1750. Oorspronkelijke bron: Siemens, 1974 en Ligtendag 1995. Licentie: 'De kaart is door mij getekend naar de kaarten aanwezig bij Siemens (1974) en Ligtendag (1995'. Tekenaar: onbekend. GNU Free Documentarion License versie 1.2 onder Creative Commons.

 

 

Tweede deel: De transcriptie (vertaling) van de Zeendbrief

 

Een ieder die dit geschrift [zal] zien of horen voorlezen en publiek kennis kan nemen hoe wij Nonna Uwinga uit Honingahan, Uneke Nawada van de Berch, Aiddo Winda van Uphusen, Hayko Haikinga van Nyendarp, rechters in Reiderland waar een tweedracht heerste tussen Hessel de proost te Farmsum en zijn broers genaamd Sickens en Baykes (Sicke en Bauke), ter ener zijde en de gemene meente in het Oldamt en het Holwierder zeendvest, met het volk en de mensen van de genoemde proosdij, in het Oldamt ter andere zijde. Een zaak die tussen de twee partijen speelde over het gevangen nemen van de officiaal van de bisschop van Munster en van het interdict oftewel het stoppen van de bediening in de kerken en de ban, die al lange tijd speelden. Zodat over deze zaak door onze rechters werd voorgesteld, dat de bijeengekomen rechters uit heel Friesland, edelingen, en vooraanstaande mannen voor de rust van het hele land, het nut en de vrede de bedoelde zaak op zich namen, [op een bijeenkomst die door de gewone man doorgaans Upstalboom wordt genoemd] en daar te behandelen, zodat vele zaken die er op enigerlei wijze mee in verband stonden, het er tenslotte over eens werden zoals hierna staat geschreven.

 

Wij de voornoemde rechters, die deze zaken tussen de genoemde partijen op zich genomen hebben, met hulp van God, vele wijze priesters en andere mannen, met name twee uit het land Fivelgo, met name Geerloff te Voerehusen (Gethusum) en Luloff Ubbema. En twee uit het land Hunsingo, genaamd Tiard Goscalsma ende Folckmare Onseda, evenals twee uit de Stad, genaamd Goert Sickinga en Roeloff Buninga, zo hebben wij deze zaak met toestemming en goedkeuring van de genoemde partijen als volgt en in zijn geheel genoteerd, zoals hierna volgt.

 

Ten eerste, dat de proost van Farmsum en zijn dienaren de aan de heer Lodewijk, de bisschop van Munster, vanwege de ban en vanwege het zoengeld van de gevangenneming en voor het doden en begraven [van de officiaal] en om zijn eigen vrees die hij heeft geleden af te kopen, voor de brand en roof priesters aangedaan, en alle schade die priesters en leken zijn berokkend, uitgezonderd dood door verdrinking, de schade aan een ieder apart te betalen.


En van alle andere zaken, aan schade of daaruit voortgevloeid, zullen de proost en zijn dienaren de gevolgen aanschouwen en taxeren, en een ieder naar zijn schade [uit betalen] en zo zal de proost van Farmsum voor de gevangenneming, het uithoren en martelen van de officiaal voor de verzoening ervan vijftig nieuwe marken [betalen].

 

Voorts is het zaak dat een kerk die gewapenderhand is bezet en schade heeft geleden, deze zonder meer zal worden vergoed. En alles [= hoeveel] de bisschop in zulke zaken begeert, daarvoor zal de voornoemde proost verantwoordelijk zijn, evenwel in acht genomen dat de voornoemde zaken, die voor schepenen of voogden gebracht zijn en afgewezen zijn, [of] zoals algemeen bekend [is], gewraakt zijn, die zullen blijven rusten zonder verdere straf of vervolging, zoals reeds gezegd.

 

Voorts, de navolgende punten die hierna bepaald zijn tussen de proost en de hele proosdij, zullen zonder voorbehoud worden aanvaard. Ten eerste, in het geval dat er een priester wordt gekozen tot parochiepriester door alle mensen van het kerspel, of door de meerderheid van de grondeigenaren en de kerkgangers, die zal tot het ambt worden geroepen en hem zal door de proost niets in de weg worden gelegd. Voorts, in het geval dat iemand veroordeeld is vanwege een kerkelijke uitspraak een [boete] te betalen bij de eerste zitting van de kerkelijke rechtbank, die zal men daartoe manen en in het geval dat dezelve persoon dit [bedrag] niet voldeed voor of op de laatste zittingsdag, die zal men op de laatste dag de kerkelijke bediening ontzeggen. En tussen twee zittingen zal niemand de kerk worden ontzegd, voor welke zaak ook en ook zal er niemand door de proost worden aangeschreven of opgeroepen door de proost tussen twee zittingen in.

 

Voorts in het geval, dat een kerk geheel in de ban wordt gedaan, of het verboden wordt doden te begraven, die zullen “byck” blijven, en zolang de ban op de kerk ligt, ervoor vrezen [buitengesloten en ongewijd] te blijven.

 

De proost mag [in zo’n geval] van een ieder het bangeld nemen, evenals in de hierna beschreven gevallen. Ten eerste wanneer iemand met zijn nicht omgaat, of dat nu hem of de vrouw onbekend is, of dat ze er beide onbekend mee zijn, dat het personen in een dergelijke verwantschap [omgang verboden as] en geen contact mogen hebben binnen en buiten het huwelijk en degenen die overspel bedrijven en twee van hetzelfde geslacht die met elkander omgaan. In al deze gevallen mag de proost vijf mark boete opleggen.

 

Desgelijks, wie ontrouw begaat hoewel hij getrouwd is, of in het geval dat de ene met een ander omgang heeft, die eveneens getrouwd is, of wanneer de ene persoon vrij is en de andere niet, dan is de boete die de proost mag nemen vijf mark. In het geval dat beide mogen [moeten] betalen dan mag de proost van alle [beide] dertig schillingen (2) hebben.


Voorts degene die woekert, is de proost vijf mark schuldig, voor het geval dat een van de personen niet kan betalen, mag de proost van degene die dat wel kan, dertig schillingen nemen.

 

Voorts voor doodslag, die geschieden op de heilige dagen, zal men wegens het verbod bij voorbaat een mark schuldig zijn. De heilige dagen die bedoeld worden zijn deze: de Kerstdag, met de drie volgende dagen; de heilige paasdag met de drie volgende dagen; de pinksterdag met de drie volgende dagen, Allerheiligen en alle zondagen.

 

Voorts in het geval dat twee personen of twee partijen of door vete gebonden groepen elkaar treffen en slaags raken, mag hij vanwege de ongeregeldheden en wegens de doodslag van beide partijen en [of] beide personen achttien scillingen nemen.


Voorts zal men deze munten betalen in Osnabrugse munten.

 

Voorts, zullen deze voorschreven punten en bedragen door de kerkvoogden afgekondigd worden en door niemand anders. En het zal in de zeendstoel (3) zelf en nergens anders worden afgekondigd, en zo kan de macht van de proost door niemand gewraakt worden.

 

Voorts, deze boeten en regeling zal men afkondigen en niets anders.

 

Voorts zal de proost de kerkvrede afkondigen en alle schade die gedaan is in de kerken of op de kerkhoven, waar nog een zoengeld voor moet komen, of waar de schade nog van betaald moet worden, en de doodslag van priesters en andere geestelijken in andere kwade omstandigheden, die een priester of geestelijke personen zijn aangedaan.

 

Voorts, de andere boetes en de schade die lichter of kleiner is, zullen worden afgekondigd door de kerkvoogdij, opdat alle punten worden gehouden, zonder verdere moeilijkheden [te veroorzaken], zoals hiervoor bedoeld. In het geval dat de proost meermalen deze artikelen negeert, en zich er niet aan wil houden, dan zal de proost de gerechtigde ingezetenen [van de] proosdij dertig mark betalen en uitdelen. En zo vaak hij inbreuk maakt op de voorschreven punten, zo vaak zal hij dertig mark betalen en zal hem de inkomsten uit het ambt onthouden worden, tot hij de boete heeft betaald.


Voorts in het geval dat de proost in deze tijd iemand in de ban doet of een kerk het interdict oplegt, dan zal hij de dubbele boete en het dubbele weergeld moeten betalen.

 

Voorts, deze voorschreven breukgelden die hem toekomen zijn in de oude brief van Bisschop Everhardus vermeld, waaraan zijn zegel was gehangen of opgedrukt en hier overgenomen.

 

Voorts, als de proost recht wil spreken of zeendrechtelijke zitting wil houden [in zijn gebied], mag hij komen met drie personen en meer niet, zoals de proosten en dekenen in rechtens is toegewezen.

Voorts, opdat deze voorschreven punten bevestigd worden en in het vervolg [zullen] worden uitgevoerd, zijn aan deze brief de zegels van vele goede lieden en van het land gehangen en gedrukt, als eerste dat van proost Hessel van Farmsum, en de landszegels van Reiderland en Oldeampt, die van de landen Fivelgoo en Hunsingoo en dat van de stad Groningen. Voorts is de borgsom voor deze punten en om wederzijds zich aan het recht te houden gesteld door: Ned Gerlijks zoon, Brund Luidiga van Voorhusen, die de eed hebben afgelegd [op het feit] dat de proost geen inbreuk zal maken op de uitspraak, zoals die hier geschreven is en op de afkondiging ervan. Voorts Renro Renringe en zijn broer Etto te Leermens, [    ] Syabben zoon te Enum en Wilbo van Eppenhuizen (?) hebben zich borg gesteld voor de helft van het bedrag, zodat proost Hessel en zijn broers diegenen in wereldlijk en geestelijk recht schadeloos zullen houden, die in het Holwierder zeendgericht wonen of daaronder vallen. Voorts heeft Thijs Brundzema van Arnwert het kwart van de andere helft ter borging gesteld. Voorts hebben Abeko Hildroarda en Woko Dodema bij de Westermaet gezamenlijk het vierdedeel van deze helft gesteld. Voorts jonge Dodo Dodina, Ernsta neva heeft evenveel borggesteld als de drie die hierna volgen en genoteerd zijn, op een zesdedeel na. En het zesdedeel heeft borggesteld Gayko Gaykinga te Garreweer, en voor alle schade die van deze zaak zou komen, daar stelt hij zich borg voor.

 

Dit is geschied [en bepaald] als rechtsgeldig toen men schreef duizend driehonderd en vijfentwintig op de achtste dag na de heilige apostelen Petrus en Paulus (7).

 

Noten:
1. Zeendbrief. Een zeendbrief, ook wel zendbrief genoemd kan duiden op een ambtelijk schrijven, een epistel, herderlijk schrijven, kerkelijke wet, mandement, missive of een zendschrijven. In bovenstaand geval is het een ambtelijk schrijven ofwel een vonnis met rechtsgeldigheid.
De seendbrief van Farmsum dateert van 1325. Het dekanaat Farmsum is een onderdeel van het aartsdekanaat Frisia bewesten de Eems. Het omvat het oostelijk deel van Fivelgo en de beide Oldambten. Het grenst in het noorden aan de Eems, in het oosten aan de Tjamme hetgeen tevens de grens is met het bisdom Osnabriick, ten westen aan het dekanaat Loppersum, waarvan de grens in het zuiden van de Siepsloot tussen Hellum en Schildwolde door en dan door het Schildmeer naar het noordoosten. Het dekanaat omvat dertig kerspelen. Zoals alle belangrijke ambten en rechten komt ook het proostambt aan het einde van de middeleeuwen in handen van de aanzienlijken.
2. Schillingen*- zo gemerkt omdat er nog geen schillingen in omloop waren, dit is ook nog uit de sterling periode, er zal dus in de Latijnse versie nog marken hebben gestaan. Door de vertaler is dit aan de 16e eeuwse kennis aangepast.
Dit in de 16e of 17e eeuw vertaalde stuk heeft inderdaad een Latijns voorbeeld. OGD, geeft daar in de toelichting enige in kopie bewaarde zinsneden. Een ervan is hier tussen teksthaken gezet, n.l. de passage over de Upstalboom die in de Nederduitse versie ontbreekt.
3. Zeend, zeendstoel, seend, seendstoel. De term seend is afgeleid van synode, en werd in de middeleeuwen in Nederland gebruikt als benaming voor een kerkelijke rechtbank. Een seend behandelde zaken rond ontucht en overspel, maar behandelde ook aanklachten wegens ketterij en deed aan bestrijding van hekserij. De bisschop van Utrecht besteedde de taak doorgaans uit aan aartsdiakens.
4. Het is ook zo dat in het Latijn de broers van Hessel in de tweede naamval hebben gestaan. Deze zijn in de eerste naamval vertaald, van Bayke is Bauke gemaakt. Aan het slot bij de borgstelling is gelezen Doda Dodina, de neef van Ernst, waarschijnlijk ook een Dodina, die in het stuk zelf niet voorkomt.
5. OGD. Oorkonden Groningen en Drenthe.
6. Zijlvest. De Groninger voorloper van de huidige waterschappen. Het woord zijlvest, Oud-Fries sīlfestene (1309), is samengesteld uit het woord zijl 'sluis' met de uitgang -veste 'jurisdictie'. Een Oost-Fries synoniem is Sielacht (1437). De zijlvesten waren niet alleen belast met het onderhoud en toezicht van de wateren, maar ook van de wegen. De belangrijkste taak betrof het onderhoud en toezicht op de uitwateringssluizen of zijlen. Het begrip zijlvest heeft betrekking op de waterstaatsorganisatie, maar ook op het gebied waarvoor het zijlvest verantwoordelijk was. De schouw van de zijlen, vaarten en dijken berustte bij de edele heerden en werd uitgevoerd door de schepper. In de schouwregisters werden de namen opgenomen van de onderhoudsplichtigen.
7. Hiermee wordt 6 juli 1325 bedoeld.

 

 

Originele bron:
Cartago, nr. ogd0288, 6 juli 1325: Oorkonden Groningen en Drenthe (OGD), nr. 288
Naar een oude vertaling bij Schotanus, Brieven en Documenten (achter zijn Gesch. van Frieslandt), blz. 110. Ook gedrukt bij von Richthofen, Fries. Rechtsquellen, S. 292; van Halsema, Werken van Pro Excolendo Jure Patrio, II, passim, haalt enkele zinnen van de overigens onbekende latijnsche oorkonde aan. Verg. von Richthofen, Untersuchungen, I, S. 275 ff.

 

 

Literatuur:
P.J. Blok e.a., Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, I (Groningen 1896) nr. 288.
Friesland en de Friezen in de Middeleeuwen, Hooft van Iddekinge. Leiden, E.J. Brill, 1881.

 

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 1 maart 2019.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top