Schoonmaken van grafstenen levert vaak bijzondere ontdekkingen op. Zelden heb je direct in de gaten wie er ligt, maar in dit geval bijzondere geval, ziet de schoonmaakster iets wat haar aan het denken zet. Eerst wordt de naam Udema zichtbaar, gevolgd door de naam Molanus. Met name de tweede naam zal Zuidbroeksters doen denken aan een onopgeloste, dubbele moord in 1931 op een moeder en haar zoon. Een drama die nooit is vergeten.

 

Tekst grafsteen op de begraafplaats te Zuidbroek: "Hier rusten Anje Udema, geb. tge N.Scheemda, 9 Febr/ 1855, overl. te Zuidbroek, 25 Aug. 1931, echtgenoote van Willem Molanus en haar zoon Hendrik Molanus, geb. te Zuidbroek, 17 Juni 1885, overl. te Zuidbroek, 26 Aug. 1931".
Tekst grafsteen op de begraafplaats te Zuidbroek: "Hier rusten Anje Udema, geb. tge N.Scheemda, 9 Febr/ 1855, overl. te Zuidbroek, 25 Aug. 1931, echtgenoote van Willem Molanus en haar zoon Hendrik Molanus, geb. te Zuidbroek, 17 Juni 1885, overl. te Zuidbroek, 26 Aug. 1931". Foto: ©Jur Kuipers.


Over Anje Udema en Willem Molanus
Laten we eerst onderzoeken wie Anje Udema en Willem Molanus eigenlijk zijn en waar ze vandaan komen. De Groninger Archieven geven daarbij een duidelijk overzicht.


Anje Udema wordt op 9 februari 1855 te Nieuw Scheemda geboren als jongste en zevende dochter van Hindrik Daniels Udema, arbeider, 39 jaar en Pieterke Jans Gernaat
[1].


Als Anje 29 jaar is, trouwt ze op 2 augustus 1884 te Zuidbroek met de 42-jarige Willem Molanus. Hij is tolpachter en weduwnaar van Wupke Udema. We weten nu dat dit het tweede huwelijk is van Willem Molanus.


Willem komt uit Zuidbroek en is een zoon van Hillechien Berend Molanus, dagloonster. Een vader wordt niet in de akte genoemd. Roelof Boerhave, 41 jaar, grutter, Geert (achternaam onleesbaar), 29 jaar, veldwachter, alsmede Harm Tuin, 25 jaar, bode en Harm Wever (?), 30 jaar, allen wonende te Zuidbroek zijn de getuigen van het huwelijk
[2]. Op 17 juni 1885 wordt in Zuidbroek een zoon geboren die de naam Hendrik krijgt [3]. Hendrik is psychisch niet geheel gezond.


Anje's echtgenoot Willem Molanus is op 10 maart 1842 te Scheemda geboren als zoon van Hillechien Berends Molanus, zonder beroep. Willem Heckman, 41 jaar, ‘medicinee doctor’ uit Scheemda doet aangifte van de geboorte en verklaart als deskundige bij de bevalling tegenwoordig te zijn geweest. Ook hier wordt geen vader genoemd.

Willem Molanus en Wupke Udema
We hebben dus gezien dat Willem Molanus weduwnaar is van Wupke Udema, waarbij het opvalt dat Anje en Wupke dezelfde achternaam hebben. Hoe zit dat in elkaar. We gaan dit eerste huwelijk van Willem Molanus onderzoeken:

Als 30-jarige is Willem Molanus boerenknecht en trouwt hij in eerste huwelijk te Scheemda met de 27-jarige Wupke Udema, dienstmeid, dochter van Hindrik Daniels Udema, arbeider en Pietje Jans Gernaat, arbeidster. Zijn ouders wonen in Nieuw Scheemda, evenals de getuigen. Iedereen tekent de akte, behalve Wupke zelf die verklaart ‘niet te kunnen schrijven of teekenen als hebbende dit niet geleerd’. Wupke brengt haar zoon Jan Udema mee in het huwelijk
[4].


Met Willem Molanus krijgt Wupke een zoon, genaamd Berend Hindrik, geboren op 9 augustus 1873 te Zuidbroek. Willem is dan 31 jaar
[5].


Wupke overlijdt op 37-jarige leeftijd op 10 mei 1882 te Zuidbroek
[6] als haar beide jongens 13 en 8 jaar oud zijn. Hun (stief)vader Willem Molanus hertrouwt met tante Anje Udema, een zus van Wupke dus, als boven omschreven. Willem Molanus overlijdt op 24 maart 1929. Hij is dan 87 jaar oud. In de akte worden zijn echtgenoot Anje Udema en zijn overleden echtgenoot Wupke Udema genoemd [7].
Zijn graf en het graf van zijn eerste vrouw Wupke hebben we (nog) niet kunnen vinden.


Wupke’s zoon, uit haar eerste huwelijk, Jan Udema, geboren op 12 februari 1869 te Nieuw Scheemda
[8], zal als stiefzoon van Willem en tantezegger van Anje in hun gezin zijn opgegroeid. Bij het huwelijk van Jan is Willem Molanus getuige. Jan Udema trouwt op 27-jarige leeftijd met de dan 23-jarige naaister Femmigje Labrie, geboren te Meppen. Zij is een dochter van Cornelis Labrie en Femmigje Piel. Jan Udema wordt dan genoemd als molenaarsknecht  [9]. De 41-jarige Jan noemt zijn dochter, veelzeggend, Anje Wupke, en wordt geboren op 24 oktober 1910 in de  Kroonpolder boven Drieborg in (destijds) de gemeente Beerta [10]. Er wordt ook een zoon geboren te Bellingwolde, die zij Willem Hendrik noemen. Deze overlijdt reeds op 6-jarige leeftijd op 31 juli 1904 in de Kroonpolder [11]. Het is elf jaar later, op 18 januari 1915 als aldaar weer een zoon wordt geboren. Ook deze zoon wordt  Willem Hendrik genoemd [12]. Deze trouwt op 19 januari 1945 als 30-jarige molenaar met de 22-jarige Auktje Boonstra te Nieuweschans, dochter van de 60-jarige seinhuiswachter Gerrit Boonstra en de 53-jarige Aukje Arends [13].

 

De molen van Udema in de Kroonpolder

Vader Jan Udema is bij de geboorte van de eerste zoon  al opgeklommen van molenaarsknecht tot molenaar in de Kroonpolder op de plek die later ‘Udema’s molen’ genoemd zal worden en hij heeft een goed lopende zaak in vee- en kippenvoer. Het bedrijf staat op de deels geslechte slaperdijk en de plek in de Tweede Wereldoorlog een rol speelt bij de moord op de familie Ebels in de Kroonpolder. Vader Jan Udema is echter al overleden in 1941. Mede gelet op de vernoeming van zijn tante Anje lijkt het logisch dat Jan Udema bij haar begrafenis aanwezig is geweest.


Berend Hendrik Molanus

Berend Hendrik Molanus, de zoon van Willem en Wupke, trouwt op 21 maart 1896 te Hoogezand met Grietje Lubberts. Het echtpaar scheidt een paar jaar later op 7 februari 1899  te Sappemeer [14]. Het paar heeft nog wel een tweeling gekregen, waarvan één kind levenloos wordt geboren en de ander, Willem, die arbeider wordt. Willem overlijdt op 22-jarige leeftijd te Sappemeer [15]. In de overlijdensakte van 1919 staat dan dat de vader is overleden. Berend Hendrik kan dus niet aanwezig zijn geweest bij de begrafenis van zijn stiefmoeder/tante en halfbroer.


Lees verder: Over de molen van Udema op de middendijk in de Kroonpolder.

 



Het boerderijtje met daarnaast een stookhok, waar Anje en zoon Hendrik hebben gewoond.
Het boerderijtje met daarnaast een stookhok, waar Anje en zoon Hendrik hebben gewoond.
Een deel van het woongedeelte met de voordeur van het boerderijtje.
Een deel van het woongedeelte met de voordeur van het boerderijtje.
De weg waar het boerderijtje heeft gestaan heet Krommerakken. We zien dat het naambordje van de weg vlakboven het raam van de voorkamer is bevestigd waarin het lijk van Anje is gevonden.
De weg waar het boerderijtje heeft gestaan heet Krommerakken. We zien dat het naambordje van de weg vlakboven het raam van de voorkamer is bevestigd waarin het lijk van Anje is gevonden.

De dubbele moord in Zuidbroek in 1931
Een correspondent van het 'Nieuwsblad van het Noorden' is op woensdag 26 augustus 1931 snel ter plekke om verslag te doen van een dubbele moord en hij spreekt onder meer met de burgemeester, de postbesteller en de buurman.


Burgemeester Buurma vertelt:
“Zooals u weet zijn wij vanmorgen gewaarschuwd door den besteller Ruchtie, die op zijn ronde het feit ontdekt heeft. Onmiddellijk heb ik mij met de politie en den dokter daarheen begeven en wij vonden daar het lijk van de weduwe Molanus, liggende op den grond, terwijl het bed smeulde. De majoor van de rijksveldwacht en de twee gemeentelijke veldwachters zijn ter bewaking achtergebleven en ik heb onmiddellijk het parket in Winschoten gewaarschuwd, terwijl ik opdracht heb gegeven om alles te laten zooals het was, teneinde het onderzoek zooveel mogelijk in de hand te werken.”


Op de vraag naar de oorzaak antwoordt de burgemeester
“Niet gaarne ook maar eenigszins definitief' uit te willen laten”.
Er zijn in ieder geval twee mogelijkheden, namelijk een inbraak “om in 't bezit te komen van de spaarduitjes” of “dat de zoon in een ruzie zich aan zijn moeder vergrepen heeft”. De inbraak lijkt het meest waarschijnlijk en daarom is de politie reeds bezig met het dreggen in de vaart.


Besteller Ruchtie vertelt:
“Ik was vanmorgen op mijn bestellersronde en moest ook bij de weduwe (Anje Udema, red.) Molanus zijn voor de ouderdomsrente. Ik deed de deur open en riep "Volk", maar kreeg geen gehoor. Toen ben ik achterom geloopen, maar zag ook daar niemand. Dat leek mij toch wel wat vreemd, want de oude vrouw had ik nog nooit niet thuis getroffen. De zoon (Hendrik, red.) was natuurlijk wel eens afwezig”.


Omdat Christiaan Ruchtie ook nog een rare lucht heeft geroken, is hij bij buurman Dijkhuis 'aangegaan'. De buurman zou gaan kijken en Ruchtie vervolgt zijn bestellersronde. Hij hoort - als hij terugkeert - wat er gebeurd is. Dijkhuis heeft inmiddels de dokter en de politie gewaarschuwd.


Brugwachter en buurman Geert Dijkhuis:
“Ja meneer, daar kan ik eigenlijk weinig van vertellen. Ruchtie kwam ons waarschuwen en toen ben ik maar eens gaan kijken. Ik zag wel, dat er iets niet in orde was en toen ik ontdekt had, wat er eigenlijk gebeurd was, ben ik dadelijk naar het dorp gegaan”.

Dijkhuis heeft de vorige avond de zoon nog gesproken, maar niets aan hem gemerkt. Ook 's nachts heeft hij niets gehoord.


Als de verslaggever van de krant op de plaats des onheils aangekomen is, heeft het parket juist zijn eerste onderzoek beëindigd. De zoon is niet gevonden. Men moet ook de tweede mogelijkheid, dat de zoon zijn moeder heeft vermoord, onder ogen zien en daarom wordt een signalement van de vermiste opgesteld, dat later op de dag via de radio wordt omgeroepen.


Het lijk van de weduwe Molanus is tegen de avond naar het dorp vervoerd en in het lijkenhuisje ondergebracht om op donderdag door dokter Hulst uit Leiden onderzocht te worden.


Het lijk van de 45-jarige Hendrik wordt door de gemeenteveldwachter van Zuidbroek, de heer Visser, in een sloot op ongeveer 200 meter van de boerderij gevonden.
Het lijk van de 45-jarige Hendrik wordt door de gemeenteveldwachter van Zuidbroek, de heer Visser, in een sloot op ongeveer 200 meter van de boerderij gevonden.

Op donderdag meldt de correspondent van de krant:

“Hedenmorgen om 10 uur is het lijk van Molanus (zoon Hendrik, red.) gevonden in een sloot waarin weinig water was op plm. 200 m. van de boerderij. Het hoofd was ernstig verminkt, terwijl een ketting in zijn nabijheid lag. Het vermoeden van roofmoord wordt hierdoor versterkt”.

De burgemeester waarschuwt wederom het parket in Winschoten. Na een onderzoek ter plekke door het parket wordt ook het lichaam van Hendrik Molanus voor sectie naar Zuidbroek vervoerd.


Op vrijdagmorgen 28 augustus worden moeder en zoon samen begraven op de 'algemeene begraafplaats' bij de kerk van Zuidbroek. Burgemeester Buurma spreekt:

"Zoo staan we dan op dezen mooien zomerdag, waaraan deze zomer zoo schaarsch is geweest, op dit stille kerkhof van onze gemeente, bij de nog geopende groeve, waarin zoo juist is neergedaald het stoffelijk overschot van de beide slachtoffers van den gruwelijken moord hier gepleegd".


De burgemeester vertelt ook dat hij aangekomen bij de plaats des onheils heeft gedacht:

“wat is dit een idyllisch plekje voor eenvoudige menschen, ver verwijderd van het wereldgewoel om er te leven in liefde met plant en dier”.

 

Buurma is verheugd dat de sectie heeft uitgewezen dat Hendrik niet zijn moeder heeft vermoord en zegt:

"Voordat Uw stoffelijk overschot met aarde wordt bedekt Hendrik Molanus, wil ik U van dien blaam bevrijden”.


In de kranten wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van een halfbroer van de weduwe als 'eenigst' familielid bij de begrafenis. Een halfbroer heb ik niet gevonden, wel een tantezegger wiens aanwezigheid voor de hand ligt.
Op de grafsteen staat als overlijdensdatum bij beide slachtoffers 26 augustus. In de overlijdensakte van Hendrik is het echter 27 augustus, de dag waarop hij is gevonden. In de akte staat ook waar, namelijk 'aan den weg van Zuidbroek naar Scheemda is overleden bevonden'.

In 2017 is in Zuidbroek met veel succes een theaterstuk over de dubbele moord met de titel 'Aan den eenzamen Trekweg' opgevoerd. Ook daarin komt de begrafenis voor.


Lugubere verhalen
In het dorp hebben zich jarenlang de lugubere details van de beide moorden de ronde gedaan. Zoon Hendrik zou uit het huis gelokt zijn om hem vervolgens te hebben gedumpt in een sloot aan de Trekweg met een groot gat in zijn hoofd. Veldwachter Piet Visser zou het gat met een rietje hebben gemeten, zo diep is het.


Zijn moeder hebben ze het mutsje dat ze altijd heeft gedragen van haar hoofd getrokken en achter in haar keel gepropt. In de keuken is ze toegetakeld, ondanks dat ze zich heeft verweerd. Zo is ze in de koestal naar beneden gegleden met op de deur een grote bloedvlek. De dader of daders hebben hun plan schijnbaar goed uitgedacht, want juist op die bewuste dag wordt burgemeester Buurma geïnstalleerd. Daarom is er ook geen politie in de buurt, want die zijn allemaal bij de installatie aanwezig.


Als de postbode voor de tweede keer langskomt en Anje vindt, is hij naar buurman Draaijer gegaan. De vrouw van Draaijer is in paniek het veld in gerend om de kleigravers te roepen. Als die aankomen zijn ze zo naar binnen gelopen en zijn heel veel sporen uitgewist.


Het is nooit duidelijk geworden of er iets gestolen is. Bij Anje en haar zoon kon je zo maar niet binnen. Klaas is er wel vaak geweest om te helpen in de stal, maar hij is nooit in het huis zelf geweest. Anje en haar zoon zijn heel erg op zichzelf geweest en daarom kan niemand zeggen of er iets gestolen is. Wel wordt beweerd dat er zilver weg is en een vrouw vertelt dat ze veel geld in huis hebben gehad, omdat ze veel koeien verkochten. Dat kan echter niet waar zijn, want ze hebben helemaal geen koeien verkocht. Dijkhuis durft er zijn vingers om te verwedden dat dat wel het geval is geweest. Toch kan dat ook niet waar zijn, want Hendrik is nooit een handelsman geweest en heeft nooit een koe verkocht. Ze hebben zelfs koeien die wel twintig jaar oud zijn geweest.

 

Met deze ketting zou Hendrik Molema om het leven zijn gebracht.
Met deze ketting zou Hendrik Molanus om het leven zijn gebracht.

De moordenaars hebben het bed in brand gestoken. Ze zijn met een omtrekkende beweging weer teruggegaan naar het huis om te kijken of het ook goed brandt, zo gaat het verhaal. Er zijn wel vreemden gezien. De moeder van Dijkhuis heeft een groepje vreemde snuiters zien fietsen. Je kent elkaar, dus je ziet direct dat het vreemden zijn. En Berend van der Woude van het gemaal is ze ook tegengekomen. Vreemden zijn het geweest. Ze wenden het hoofd af als ze langs fietsen.


Maar de veldwachter heeft wel geweten wie het zijn geweest. Het is in de tijd van het zichten en dan heb je wel zichters als losse arbeiders. Zichters zijn het, heeft hij verteld. Hij is er nooit achter aan gegaan.


Een paar dagen voor de moord hebben jongens die vreemdelingen ook al gezien op de Trekweg. Ze vertrouwen het niet. Ze weten dat er ook nog meisjes langskomen. De jongens zijn toen afgestapt en hebben op de meisjes gewacht. Volgens die veldwachter zijn dat de moordenaars niet. Hij kent ze immers wel en ze zijn dan ook nooit opgepakt.


Het is nooit uitgekomen wie de moorden heeft gepleegd. Maar iedereen is wel bang geworden. Voor die tijd heeft er geen mens de deuren dicht, maar na de dubbele moord zijn er grendels op de deuren gekomen.

 

De kranten
Het nieuwsblad van het Noorden van d.d. 28-11-1931 schrijft:

 

“Er bestaan thans gegronde redenen, dat de moordzaak te Zuidbroek in den nacht van 25 op 26 Augustus, waarbij de Wed. Molanus en haar zoon werden vermoord, tot klaarheid zal komen. Zooals reeds gemeld is, heeft de Groningsche recherche, de justitie te Winschoten hieromtrent een zeer belangrijke mededeling gedaan. Thans blijkt dat de bedoelde persoon is de '20-jarige arbeider J. A. werkzaam bij de werkverschaffing in Jipsinghuizen, in hechtenis te Winschoten, in verband met een diefstal bij een brand aldaar. Vermoed wordt, dat verdachte in den nacht van 25 op 26 Augustus nog bezig is geweest aan de werkverschaffing, en terug is gekomen met een verwonding aan het hoofd. Het onderzoek is nog gaande. Intusschen volgt de politie te Zuidbroek nog een spoor, dat leidt naar twee personen, die verblijven in de strafgevangenis te Groningen”.


Negentig jaar geleden
Het is nu al ruim 90 jaar geleden dat aan het eind van de Trekweg aan het toen zogenoemde Krommerakken te Zuidbroek de gruwelmoord heeft plaatsgevonden op Anje Molanus-Udema en haar zoon Hendrik Molanus.  Regelmatig wordt er in het dorp nog wel over het geheimzinnige drama gesproken, maar nog steeds tast men in het duister; er doen speculaties en geruchten de ronde over de dubbele moord op die 26e augustus 1931. Twitter, DNA onderzoek of Facebook bestaan nog niet maar met de zeer gebrekkige communicatiemiddelen van toen gaat het nieuws als een lopend vuurtje door Zuidbroek en omliggende plaatsen. Meteen zijn destijds verschillende verdachten gearresteerd en soms maanden opgesloten.

 

Alle pogingen om dit wel als roofmoord geziene drama te ontrafelen hebben schipbreuk geleden. Steeds opnieuw belandt men op een dood spoor, hoe intensief de politie er in die tijd tegen aan gaan. Hoe bestaat het dat de ware moordenaar(s) nooit in de kraag is/zijn gegrepen. Twee dagen na het Zuidbroekster drama wordt Klaas Dolfing uit Sappemeer ingeroepen. Dolfing is brigadier Rijksveldwacht te Sappemeer en staat in die tijd bekend als een soort Peter R. de Vries. Hij heeft even ervoor, na vijf jaren van intensief speurwerk, de moord op Jan Meijer uit Sleen opgelost.


Het onderzoek
Majoor J. Woltjer brigadecommandant Rijksveldwacht te Zuidbroek en brigademarechaussees van Muntendam en de gemeenteveldwachter Vestering van Zuidbroek zijn hun onderzoek meteen al begonnen. Ze zullen na een paar dagen hebben gezegd: “Die Dolfing kunnen we bij deze zaak er best bij gebruiken”. Veertig jaar na de dubbele moord, tijdens een interview, zegt Dolfing:

 

“Na twee dagen zag men wel in dat men de dader(s) niet zo snel zou vinden en toen ben ik er ook in gemoeid. Nou, het was een hopeloos gezoek en men kreeg er totaal geen licht meer in. Het spoor liep steeds maar weer dood en één van de oorzaken daarvan was allereerst dat men verband ging zoeken met de moord op de 76-jarige moeder en haar 47-jarige zoon (Hendrik, red.), die zwakzinnig was.”

 

Geert Dijkuis, de buurman van Anje en Hendrik, die met Chris Ruchtie, de postbesteller, als eerste op de plaats van het misdrijf aanwezig is geweest. Zij vinden het lijk van Anje in de voorkamer van de woning.
Geert Dijkhuis, de buurman van Anje en Hendrik, die met Chris Ruchtie, de postbesteller, als eerste op de plaats van het misdrijf aanwezig is geweest. Zij vinden het lijk van Anje in de voorkamer van de woning.

Aanvankelijk is wel gedacht dat Hendrik zijn moeder om het leven had gebracht omdat haar stoffelijk overschot is gevonden maar van haar zoon Hendrik ieder spoor ontbreekt. Men heeft nog gedregd in het Winschoterdiep, maar al een dag later wordt de eveneens vermoorde zoon in een ondiepe sloot aangetroffen nadat het is opgevallen dat hun hond steeds op de wal van het Winschoterdiep zit.

De heer Dolfing gebruikt na 40 jaar in dat interview steeds de woorden vermoedelijk en waarschijnlijk. Vrijwel niets staat met zekerheid vast voor hem. Zo vermoedt hij dat zoon Hendrik Molanus het eerst om het leven is gebracht enkele honderden meters van de kleine boerderij.

 

“Vermoedelijk was hij naar buiten gelokt met een smoes dat de koeien op de weg liepen. Ja, dat ligt zelfs wel voor de hand, want in het land waarin toen vier koeien graasden daar is hij gevonden, liggend op zijn rug in een halfdroge sloot op ongeveer 200 meter van de boerderij. In het slootje met maar een klein beetje water erin langs de Trekweg. Hij kon er in elk geval niet in verdrinken. Hendrik is vermoedelijk door een rechtshandig persoon vermoord. Zijn schedel was ernstig verminkt, aan de linkerkant ingeslagen.”

 

Dat zou met een 4 meter lange stroketting zijn gebeurd die wordt gevonden in het ondiepe slootje langs de Trekweg vlakbij het lichaam van Hendrik. Gemeenteveldwachter Visser heeft het lijk van Hendrik Molanus, gevonden, maar de dag ervoor heeft postbesteller Chris Ruchtie het levenloze lichaam van mevrouw Anje Molanus-Udema al gevonden. Hendrik heeft een grote wond van vier bij zes centimeter aan zijn hoofd. Beide slachtoffers hebben steek- en snijwonden. Om ongeveer 10 uur 's ochtends komt postbode Christiaan Ruchtie de post brengen. Hij moet voor het afgeven van een geldwissel een handtekening krijgen. De deur staat open en de koeien loeien omdat zij nog niet zijn gemolken. Hij krijgt geen gehoor als hij een paar keer “Volk” heeft geroepen en dan neemt hij de vrijheid het huis binnen te lopen. Binnengekomen ziet hij half verborgen onder een linnenrek het lijk van de weduwe met een prop in haar mond. Hoe die om het leven is gekomen is niet meteen duidelijk. Dolfing houdt het erop dat zij zelf de deur van het boerderijtje heeft geopend nadat door de vermoedelijke daders eerst is geprobeerd met een stok de grendel te vernielen. De ijzeren deurklink is geheel verbogen en verdraaid, terwijl enige zware deuken in het hout van de deur aanwezig zijn. Bij het openen van de voordeur zal ze toen meteen zijn gegrepen en tussen een in het portaal staande tobbe en de muur zijn gedrukt. Aan deze tobbe en de muur is namelijk bloed en een pluk haar van mevrouw Molanus gevonden.

Volgens Dolfing heeft het slachtoffer een wollen slaapmuts in de keel waardoor ze waarschijnlijk is gestikt. Daarna is het slachtoffer op een mat naar de voorkamer gesleept waar een met wasgoed geladen droogrek over haar heen is gesmeten.

Dubbelloops jachtgeweer
De bedstee waarin Hendrik slaapt, en waaronder een dubbelloops jachtgeweer wordt gevonden, is in brand gestoken en ook het veren bed in de voorkamer van zijn moeder blijkt gedeeltelijk verbrand te zijn.
“Toen dus bleek dat de zoon zich niet aan de moeder vergrepen had, ze hadden, zeiden omwonenden, wel eens flinke ruzie, kregen we een andere kijk op de zaak.”, zegt Dolfing.


Nadat postbesteller Chris Ruchtie de moord op mevrouw Molanus heeft ontdekt brengen hij en Geert Dijkhuis, de buurman van Molanus, de politie op de hoogte.


Maar nog voordat deze het speurwerk start, rennen nieuwsgierigen het boerderijtje binnen. “Zes kerels die, met een schuit klei van Scheemda naar Sappemeer hebben gebracht.“ aldus Dolfing 40 jaar later. De nieuwsgierigheid van de groep Sappemeersters heeft de politie toentertijd parten gespeeld. Nog voor de politie zelf een hand heeft uitgestoken naar het lijk in de voorkamer en ze op zoek kan gaan naar vingerafdrukken zijn ze met z’n zessen al zodanig in de weer geweest dat elk mogelijk spoor tot de moordenaars verdwenen is. Alles loopt door elkaar en overal is het even smerig. Als Majoor Woltjer bij het boerderijtje aankomt jaagt hij meteen het stel weg. “En daar stond Woltjer dan, alleen met het lijk van de vrouw bij wie de zes Sappemeersters zelfs onder haar rok gevoeld hadden of ze ook geld op zak had.” Aldus de oud-Rijksvelwachter in een later interview.


Is geldroof het motief geweest?
Geld. Het woord is in die dagen en zelfs jaren later vaak in verband met deze  dubbelmoord gevallen. Volgens een publicatie uit die tijd heeft dokter Hulst uit Leiden, die de sectie verricht heeft, roofmoord geconstateerd. De heer Dolfing wil daar weer niets van weten omdat daar geen enkele bevestiging voor is te vinden omdat er weinig geld is in het huis. Ze hebben het geld op de Boerenleenbank in Meeden.


Later blijkt dat ze wel twee tot driehonderd gulden in huis gehad kunnen hebben omdat een verre familielid uit Winschoten een tijd ervoor geld heeft geleend en dat er is gezegd; “Kom het geld maar weer eens ophalen.” Ook hebben ze een paar dagen ervoor een paar koeien verkocht, en blijkens het spaarbankboekje hebben zij het geld nog niet op de rekening gezet. In het huis wordt echter geen geld aangetroffen, maar op tafel ligt wel een lege portemonnee, echter de linnenkast is weer onaangeroerd gebleven. In die tijd is 300 gulden ongeveer het zelfde als nu 50.000 Euro. Als voorbeeld; in diezelfde tijd kan een huis worden gebouwd voor 1600 gulden.


De ongetrouwde zoon is een beetje bijzonder: "Hij kan nog geen koe verkopen. Toen de stier doodging, groef hij een gat in het stierenhok een gat in grond en gooide daar het dode dier in. Hij spitte het zand erover en daarna werd de nieuwe stier gewoon op dezelfde plek in de schuur gezet". Moeder en zoon zijn wat schuw. Niemand uit het gehucht Krommerakken mag bij hen over de vloer komen. Na de moord gaat dan ook al gauw het verhaal dat ze ook veel goud en sieraden in huis verborgen hebben gehad, wat ook een motief voor de moord zou zijn geweest.
Waarom de matras heeft gebrand, is een gebeurtenis die de fantasie heeft geprikkeld. Weer één van de weinige details waaraan de politie in die toentertijd wellicht wat aan gehad kan hebben.


Het brandende matras
Daarna komt later het verhaal dat er die ochtend twee vreemde kerels zijn gezien die over de Trekweg hebben gelopen. In het licht van de lantaarns heeft men gezien dat ze haveloos gekleed zijn geweest, één met een licht gestreept boezeroen en de ander met een jockeypet op. Die heeft een bleek gezicht en ingevallen wangen en hij heeft iets gedragen wat op een knuppel lijkt. De ander heeft een jaaglijn over de schouder gedragen. Ze zijn nooit eerder gezien en men vraagt zich nog af wat ze daar hebben gedaan, beiden hebben zich vreemd gedragen met ook nog zo’n rare pet op.


Voor Dolfing staat het vast dat roofmoord vrijwel uitgesloten is. Maar ja, wie weet hebben de primitief levende Molanussen hun geld ergens in een oude sok gehad. Niemand kan dat haast weten want zij hebben vrijwel geen omgang met anderen. Ze leven alleen maar met hun dieren, wat koeien en een stier, die dan ook nog slecht worden behandeld. Ja, de wijze van boeren is bij hun helemaal zoek dat is algemeen wel bekend.


Hoe slecht en moeizaam het onderzoek destijds ook mag zijn verlopen, bij tijd en wijle draait er weer één de gevangenis in. Op den duur wordt een vrouwelijke helderziende ingeschakeld en krijgt men nieuwe hoop bij weer een andere arrestatie van de ‘ware moordenaar(s)’.


Burgemeester Buurma is net de vorige avond als de nieuwe burgemeester in functie geïnstalleerd en wordt meteen voor dit drama in zijn gemeente geplaatst. Hij looft een geldbedrag uit voor diegene die aanwijzingen kan geven tot de opsporing.


Heel veel verdachten, maar geen daders
Ene Lodewijk de Bok, een zwerver, maakt daar gebruik van. Hij schrijft de politie dat hij in een visioen de hele moord heeft gezien, en er alles van weet. Dolfing en Woltjer gaan op zoek naar deze bekende Sappemeerster zwerver. Ze vinden hem uiteindelijk in Amsterdam. In een slaaptent ergens in Amsterdam heeft Lodewijk de Bok zijn verhaal verteld. Ze weten wel dat onder andere Jan Neuze en Lo de Bok op de zwarte lijst staan en dat ze daarom niet in café’s mogen komen. Daardoor worden het zogenaamde spiritusdrinkers.


Overigens, nu is er een standbeeldje opgericht in Sappemeer van het duo Jan Neuze en Lo de Bok. Het kan raar lopen in de wereld.


Dolfing reist stad en land af, zelfs naar Heerlen op zoek naar mogelijke daders, maar ook dichterbij in Noordbroek woont Rikkert Munneke en die leidt een los leven. Hij heeft contact met een publieke vrouw uit Zuidbroek, ruzie met zijn echtgenote, en laat zijn boerderij vaak voor wat die is. Later emigreert Munneke naar Amerika en daar zou hij op zijn sterfbed hebben gezegd dat hij de dubbele moord heeft gepleegd heeft. Ook een man uit Arnhem zou het wel eens gedaan kunnen hebben want die heeft zomaar ineens een heel veel geld en daarvan heeft hij een café gekocht in zijn eentje. Maar ook een man uit Musselkanaal wordt opgepakt. Later weer een man uit Hoorn. Daarna een man uit Jipsinghuizen en als die het niet gedaan heeft grijpt men weer een man op uit Heiligerlee. Daarna wordt er een man uit Eindhoven opgepakt, die vroeger koedrijver is geweest in Winschoten en hij woon nu weer in Eindhoven. Waarom is hij plotseling naar Eindhoven terug verhuisd? Maar toch blijkt hij het niet te hebben gedaan. Daarna wordt weer één van de zes mannen van de kleischuit opgepakt vanwege het visioen van Lodewijk de Bok. Na een half jaar brommen kan ook die man de straat weer op.


Ruzius betrekt het boerderijtje
Na verloop van tijd hervat het leven zich en ebt langzaam de aandacht voor de moord weg. Het echtpaar Ruzius en Ruzius-de Groot uit Noordbroek koopt het vervallen boerderijtje. Als ze nog niet getrouwd zijn, fietsen ze wel eens langs het Winschoterdiep. Ruzius heeft een keer tegen zijn, toen nog, verloofde gezegd dat hij daar nog wel zou willen wonen. Even voor de kerst van 1931 gaan ze wonen in het angstaanjagende boerderijtje aan de Krommerakken. De politie komt nog aan de deur en vertelt dat ze ramen en deuren goed op slot moeten houden. Ze worden verzocht om alle dagen scherp uit te kijken naar verdachte figuren en dito spullen in en rond het huis. Ruzius heeft gezegd dat hij een zeis in de boom ‘klaar heeft hangen’. Majoor Woltjer commandeert: “Binnenhalen, je geeft ze het wapen nu zelf in handen”. Ruzius heeft daarna wel een vergunning voor een vuurwapen gekregen.
Mevrouw Ruzius zit vaak voor het raam te breien als in januari 1932 haar aandacht wordt afgeleid door een man in een manchester jas die van enige afstand steeds maar naar de boerderij tuurt. Mevrouw Ruzius denkt eerst dat de man ‘uit de broek’ moet. Maar nadat hij wel en half uur in de onderwal van de sloot heeft gezeten komt  hij richting het boerderijtje. Mevrouw Ruzius vertelt later dat ze dat verschrikkelijk angstig heeft gevonden. Ze gaat daarna meteen naar buurman Geert Dijkhuis en Geert zegt dat ze dat moet aangeven bij de politie. “Maar ik wilde dat niet, ik vond het verschrikkelijk.” vertelt mevrouw Ruzius later. Daarna is Dijkhuis zelf naar de politie gestapt. De politie is vervolgens naar de mensen van de werkverschaffing gegaan en heeft bijna alle mensen daar op de foto gezet. Een man is steeds weggekropen achter kiepkarren waarop de politie argwaan heeft gekregen en heeft ook die man opgepakt. Politie Woltjer vertelt mevrouw Ruzius dat ze vroeg of laat naar Winschoten moet komen om die man te herkennen maar mevrouw Ruzius heeft nooit een oproep gekregen.


Krommerakken
Krommerakken, aan het eind van de Trekweg, vroeger een gehuchtje waar vijf kleine arbeidersboerderijtjes hebben gestaan. Vier hebben in de gemeente Zuidbroek gestaan, en één in Scheemda. Hier wonen de families Molanus, Dijkhuis, Meijer, Groen en Bos. De verzameling huizen wordt in die tijd Oude Dijk genoemd. Maar het groepje van een stuk of wat huizen wordt na het veelbesproken drama geen geliefd woonoord meer. Voor de boerderij van de vermoorde Molanus bestaat in elk geval weinig belangstelling en daardoor kan Ruzius het goedkoop in handen krijgen. Ze hebben er ruim 20 jaar gewoond en met veel plezier zou mevrouw Ruzius later vertellen. “Je kon er van alles hebben om de boerderij heen. We hebben op advies van de politie een hond aangeschaft. Eerst een van de politie gekochte Duitse Herder, die heette Nimrod. Toen een dikke Duitse Dog die mijn man bij de slager op de kop tikte. Dat was een kwaaie en die moesten we wel aan de ketting houden. Ja, dat was een mensenvreter die kon wel drie mensen aan. Daarna kregen we een Leger-Jachthond dat was ook een goeie waakhond.”


Wat er nog over is van de plaats delict
Daar, waar in 1931 een gruwelijke moord heel Zuidbroek en omgeving even de adem heeft doen stokken, is weinig meer terug te vinden wat daaraan herinnert. Als je er nu langs fietst zie je nog wat appelbomen en pruimenbomen die allang voordat ze mooi geel en sappig rijp zijn door passanten zijn geplukt. “Waren het de pruimenbomen van Geert Dijkhuis of van de Molanissen?”, vraag je je dan af. Bé Buining vertelt dat Hendrik Molanus zich de avond voor hij is vermoord nog heeft laten knippen bij kapper Beerenboom. Dit heeft Bé weer door zijn vader Herman Buining horen vertellen tijdens een buurtgesprek voor hun café op de hoek van de Kerkstraat en het Winschoterdiep. Bé heeft daar als kwajongen bijgestaan en altijd als de moord op Molanus in latere jaren ter sprake is gekomen, is zijn herinnering aan wat zijn vader ooit heeft verteld, dat Hendrik Molanus de avond voor zijn dood nog bij Beerenboom heeft gezeten om te knippen.


Op vrijdag 28 augustus 1931 om elf uur zijn Hendrik en zijn moeder begraven in Zuidbroek. Bij de begrafenis is als enige familielid een halfbroer van Anje Molanus-Udema aanwezig. Burgemeester Buurma spreekt bij de teraardebestelling waarin hij duidelijk stelling neemt tegen alle roddels en Hendrik zuivert van alle blaam. “Hij heeft de roddels nooit kunnen geloven, omdat Hendrik zo zachtaardig was dat het hem moeite kostte om afstand te doen van zijn vee. Hendrik en Anje Molanus-Udema, zij nemen het geheim uit hun eenvoudige huisje mee in het graf. Moge onze politie dat geheim onthullen.” Aldus de speech van Burgemeester Buurma.


Een nagel aan mijn doodkist
Zover is het nooit gekomen, alle inspanningen daarvoor ten spijt. Majoor Woltjer verhuist later naar Slochteren en zou nog tegen mevrouw Ruzius zeggen: "Het is een nagel aan mijn doodskist, dat ik de moord niet ophelderen kan.”

 

 

Noten, bronnen en referenties:

Noten, bronnen en referenties:


1. Geboorteregister Scheemda, 10-02-1855, akte nr.13.

2. Huwelijksregister Zuidbroek, 02-08-1884, akte nr.20.

3. Geboorteregister Zuidbroek, 18-06-1885, akte nr.42.

4. Huwelijksregister Scheemda, 04-05-1872, akte nr.8.

5. Geboorteregister Zuidbroek, 09-08-1873, akte nr.53.

6. Overlijdensakte Zuidbroek, 11-05-1882, akte nr.28.

7. Overlijdensakte Zuidbroek, 25-03-1929, akte nr.12.

8. Geboorteregister  Scheemda, 12-02-1869, akte nr.22.

9. Huwelijksregister Midwolda, 10-04-1896, akte nr.7.

10. Geboorteregister Beerta, 26-10-1910, akte nr.105.

11. Overlijdensregister Beerta, 01-08-1904, akte nr.48.

12. Geboorteregister Beerta, 19-01-1915, akte nr.10.

13. Huwelijksregister Nieuweschans, 19-01-1945, arch.nr. 2109, inv.nr. 942, akte nr.1.

14. Huwelijksregister Sappemeer, 07-02-1899, akte nr. 2.

15. Overlijdensregister Sappemeer, 28-01-1919, aklte nr. 11

 

Overige bronnen en literatuur:

- Met speciale dank aan Letty Hartman te Zuidbroek.
- Rienus Huis, De moord te Zuidbroek.
-Een interview over de dubbele moord in Zuidbroek op 28 augustus 1931, met Piet Dijkhuis, gepubliceerd door de Historische Kring Menterwolde, 28 augustus 2018.
- Letty Haverman, Facebook Kerkhof Zuidbroek, 15 november 2020.
- Rienus Huis, 'De moord te Zuidbroek' .
- Nieuwsblad van het Noorden, 26 augustus 1931.
- Nieuwsblad van het Noorden, 28 november 1931.
- Nieuwsblad van het Noorden, 28 augustus 1973.
- Het Vaderland, 29 augustus 1931.
- Algemeen Dagblad, 17-09-1966.
- Rienus Huis, Moord in Zuidbroek, rienushuis.nl

- RHC GA, Groninger Archieven.


 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven).Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de Disclaimer voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 13 augustus 2021.
Update, 16-08-2021.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top