De oorspronkelijke tekst is van ©Piet Borghardt, borghardt@hetnet.nl
Deze tekst is voor NZD bewerkt door de webmaster

 

 

Het levensverhaal van Freerk Pauls Oldenhuijsinge en Harmtien Houwinge

Generatie 5:

 

 


Frederik (Freerk) Pauls ‘Oldenhuijsinge Huising’ is geboren circa 1715 te Odoorn en als volle boer te Zuidbarge overleden op 62-jarige leeftijd, begraven te Emmen op 14 feb 1777. Hij trouwt, resp. ongeveer 32 en ongeveer 21 jaar oud, te Emmen op 10 december 1747 met Harmtjen Houwinge (Harmentien Huising), (Harmtje Geerts). Zij is gedoopt te Emmen (Weerdinge) op 19 mei 1726 en doet belijdenis in 1743. Zij overlijdt op 81-jarige leeftijd te Zuidbarge en wordt op 8 januari 1808 begraven te Emmen.

 

Uit het huwelijk van Freerk en Harmtien worden 7 kinderen geboren: 
1. Annechien Huising, gedoopt te Emmen/Zuidbarge op 3 november 1748.
2. Willem Huising, gedoopt te Emmen/Zuidbarge op 15 februari 1750. Aangenomen in 1772, overleden, ongeveer 84 jaar oud, te Emmen (Zuidbarge) op 20 februari 1834.
3. Geessien Huising, gedoopt te Emmen/Zuidbarge op 30 januari 1752, begraven te Emmen (Zuidbarge) op 2 juni 1775.
4. Gretien Huising en Frederiks, gedoopt te Emmen/Zuidbarge op 18 november 1753; aangenomen in 1777, overleden, ongeveer 68 jaar oud, te Emmen op 19 maart 1822.
5. Geert Huising, Geert Walkers, gedoopt te Emmen/Zuidbarge op 7 september 1755; aangenomen in 1777, overleden te Emmen (Zuidbarge) op 30 december 1834.
6. Lammegien Huising, gedoopt te Emmen/Zuidbarge op 19 februari 1758, overleden, ongeveer 57 jaar oud, te Emmen (Zuidbarge) op 23 maart 1815; aangenomen in 1777.
7. Jan, geboren te Emmen/Zuidbarge op 5 juli 1767, overleden, 68 jaar oud, te Emmen/Westenesch op 4 oktober 1835.

 

 

Erve Oldenhuijsinge. ©Piet Borghardt

 

 

Erve Oldenhuijsinge in Zuidbarge

In het verhaal over Jan Huising Meijering hebben we kunnen lezen dat hij uit het naburige Zuidbarge afkomstig is en Fennigje Meijering uit Westenesch (generatie 4). Jan is dus geboren op Erve Oldenhuijsinge in Zuidbarge. Mogelijk zelfs in deze boerderij? Vermoedelijk is de boerderij op deze bovenstaande foto een ouder exemplaar dat in de tweede helft van de 18e eeuw op deze plaats heeft gestaan. Hoewel het zelfs mogelijk is dat het huis nog steeds door dezelfde eiken gebinten bij elkaar wordt gehouden. In elk geval. Jan is in ieder geval of dit erf groot. Het ligt aan de westkant van het dorp, dicht bij het Oranjekanaal, dat in die tijd nog niet gegraven is. 'De Huizingehoek' wordt het wel genoemd. Er hebben in het verleden, meer woningen gestaan, allemaal eigendom van de familie Huisinge.

 

Het Huisinge-erf behoort tot de zogenaamde ‘Erven van het Klooster Ter Apel’. Hierover meer in de volgende en laatste aflevering.

 

Zuidbarge is evenals Westenesch een dorp dat veel van zijn vroegere schoonheid heeft behouden. Zoals de naam al aangeeft, is het gelegen op een verhoging in het landschap op het zuidelijkste punt van de Hondsrug. Aan de oostkant heeft het verdwenen Bargermeer [2] gelegen en daar weer achter het veen, waar ook de Zuidbargers hun belangen hebben gehad.  Verder is er rond het dorp veel bos en heide. De bevolking heeft veel jagers, vissers en stropers geteld. Er is een aardig rijmpje bewaard gebleven, dat aangeeft dat Zuidbarge een klein dorp is geweest:

 

De schaapskooi op Huisinge die in 1974 is afgebrand. ©Piet Borghardt

Zuudbarge in het ronde: 

Twaalf hoezen en dattien honde.

 

Als grapje kan dat, want elk huis heeft zijn hond en de scheper, de schaapherder, heeft geen huis, maar wel een hond. Slapen en eten doet hij beurtelings bij een van zijn werkgevers.

 

De schaapskooi op Huisinge

Natuurlijk heeft Zuidbarge evenals Westenesch een kudde schapen en een scheper. Ook op het Huizinge-erf, staat een schaapskooi dat helaas is afgebrand in 1974.

 

 

 

 

Kadasterkaart van 1830 met daarin opgenomen de erfgenamen uit 1807. Bron: G. Hovenkamp.

Op de afbeelding hiernaast is goed te zien, dat de oudere erven inderdaad in een kring hebben gestaan. Het aantal van ‘twaalf hoezen’ moeten we maar niet te letterlijk nemen. In een volkstelling op het eind van de 18e eeuw staat genoteerd dat Zuidbarge 33 huizen en 160 inwoners telt, toch ook niet veel.

 

Genoemde erven:
Oldenhuizing (links/groen), Knegtering, Betting, Nije Sikken, Sikken, Blering, Albering, Lutke Steenge, Steenge, Groot Steenge, Oldegarmen, Nijegarm, Wening en Rabbers

 

 

Het gezin en de leefruimte

Als Jan in 1767 geboren wordt, is zijn vader 52 en zijn moeder 41 jaar. Hij is het 7e en laatste kind. Gezien de leeftijd van zijn moeder ligt het ook meer voor de hand dat hij het laatste kind is…. We zetten de kinders op een rijtje, waarbij we ons beperken tot het geboortejaar.

 

Annechien 1748
Wllem 1750                  
Geessien 1752       
Gretien 1753          
Geert 1755               
Lammegien 1758        
Jan 1767

 

Jan is dus de jongste en bovendien een nakomertje. Lammegien is al een kleine 10 jaar de jongste geweest, als ‘Jampie’ zich aanmeldt. ‘Ons poppie’ zal hij wellicht genoemd worden, want zo heet de jongste destijds in het spraakgebruik.

 

Tabaksdoos. © Piet Borghardt. Kraantjespot.

Een flink gezin, in gedachten zien we ze om de ronde klaptafel zitten met de kraantjespot in het midden, koffie drinken met een stuk ‘ollewiemmkoek’ in de hand. De oudere mannen roken hun pijp, tabaksdozen liggen op tafel.

En dit alles, om het Drents Volkslied te citeren:  ‘bij ’t vrolijk knapperend vuur’ van de grote haard met het open houtvuur. Boven het vuur de ijzeren pan of ketel aan de verstelbare zaaghaal. Op de schoorsteenmantel de sierborden en achter het vuur de ijzeren haardplaat. Bij de haard op de grond verschillende voorwerpen, de stoven, de vuurstolp en emmers van koper of ijzer.

Haartplaat. © Piet Borghardt. Ijzeren pan. © Piet Borghardt. Ketels. © Piet Borghardt.  
 
Zaagaal. © Piet Borghardt.  

 

 

Stoof. . © Piet Borghardt.

Of dit alles werkelijk allemaal in het woonverblijf van de familie staat, is natuurlijk niet zeker; laten we zeggen, iets dergelijks. We moeten het dus niet al te letterlijk nemen. Het is bedoeld om iets te beleven van de wijze hoe men destijds op het platteland heeft geleefd. Tegen een van de wanden tikt de stoelklok (de Friese staartklok is van latere datum). Verder aan de wand voorwerpen van verschillende aard zoals, rekken voor tinnen vorken en lepels, borden, schotels en ander gebruiksaardewerk, een zoutkastje en een merklap uit de familie, die wellicht is gemaakt door grootmoeder.

 

Natuurlijk mag de ‘tuugkiste’ in een ‘Saksische’ boerderij niet ontbreken. Hierin worden o.a. de zondagse kleren bewaard. We hebben er thuis nog eentje uit Maikes Groningse familie staan, met daarop twee koperen kandelaars waarvan een met een kaarsensnuiter en een kaarsendover.

 

 

De tuugkiste. © Piet Borghardt.

 

De snuiter is o.a. gebruikt voor het op lengte houden van het lont, dat makkelijk gaat druipen vanwege de vetheid  van de kaarsen, verder een blikken trommeltje voor kandijklontjes en een bord in Delfts blauw met de tekst ‘Ziet Wat Dat Hier Agter Staat’. Als je het weten wil, moet je het bord omdraaien en dan lees je ‘Bid Eer Gij Aan’t Eeten Gaat’. Op de achtergrond zie je de vensterbank met daarop vier potten van aardewerk, destijds gebruikt voor het opbergen van allerlei voedingswaren en dergelijke.

 

Vierpasjes. © Piet Borghardt.

 

We moeten niet vergeten te vermelden dat veel boerderijen in die tijd betegelde wanden hebben gehad, met name in en om de haard. In het oosten van ons land zijn dat met name tegels in een paarsachtige kleur (mangaan). Er is nog steeds handel in. Er zijn mensen die een oud boerderijtje kopen en die tegels eruit willen en er zijn mensen die een boerderijtje gekocht hebben en het weer enigszins in de originele vorm willen terugbrengen. Hierboven een zogenaamd ‘vierpasje’, een type tegel die gebruikt is in de ‘Saksische’ boerderijen.

 

Lepelrek. © Piet Borghardt. Merklap © Piet Borghardt. Zoutkastje © Piet Borghardt. Stoelklok. © Piet Borghardt.

 

 

De stamboom

Jan, Geert, Jan, Geert, Jan, Freerk….. Daar heb ik even van op gekeken toen ik een jaar of veertig geleden het archief van Assen bezocht om de herkomst van ons voorgeslacht uit te zoeken, Freerk, geen Geert!? Tegenwoordig zit je thuis achter de computer om een en ander uit te zoeken via websites als www.alledrenten.nl. Destijds hebben we het moeten doen door naar het archief in Assen te gaan. Het leuke is wel, dat je de originele handgeschreven boeken voor je neus krijgt en dan kun je een kopie laten maken van hetgeen je bezig houdt.

 

Wie zich daar ook in heeft verdiept, is neef Geert, de oudste zoon van Jan en Sien. Dan komen we erachter dat we dezelfde hobby hebben en blijkt ook dat we allebei vastgelopen zijn bij vadertje Freerk Pauls. Wij maar zoeken: Freerk Huising, Huizing, Huisingh, Oldenhuizing, Oldenhuijsinge of misschien Freerk Pauls … niets, ook niet in boeken van andere kerkgemeenten. In het huwelijksboek van Emmen uit 1747 lezen we echter (laatste 2 regels):  ‘Den 10 December Frerik Pauls van Westenesch en Harmtien Houwinge van Weerding’.

 

 

De aantekeningen uit het huwelijksboek:  ‘Den 10 December Frerik Pauls van Westenesch en Harmtien Houwinge van Weerding’.

 

 

Freerk heeft misschien tijdelijk in Westenesch gewoond, maar daar is nergens iets van terug te vinden, of de dominee heeft zich gewoon vergist. Harmtien komt dus uit Weerdinge, dat is achterhaalbaar. De naam Olden(huising) wordt niet genoemd, zo heten ze pas als ze er gaan wonen. Het blijkt al gauw, dat wij niet de enige zijn die naar Freerk Pauls hebben gezocht. In het Drents Genealogisch Jaarboek van 1997 lezen we in een artikel van A. Smegen over de familie Houwing, verwant aan de Huisings”

 

‘Naar de herkomst van de vader Frerik Pauls is al heel wat afgezocht, maar tot dusver geen resultaat. Daarom lijkt mij de vermelding van het volgende dienstig. In RAD, Etstoel 134/1. Goorsprake 1708 was volmacht voor Odoorn ene Pauwel Willems. Nu ontbreken van Odoorn de kerkboeken, maar dit zou heel goed de vader kunnen zijn van Frerik Pauls, wiens oudste zoon als Willem werd benoemd’.

 

Zolang zich geen andere mogelijkheid aanbiedt, lijkt het me goed dat we ons aansluiten bij deze aanname. Bovendien, het is duidelijk dat Pauwel Willems hoog op de maatschappelijke ladder heeft gestaan, anders zou hij niet als volmacht aangewezen worden. Dat klopt met het feit dat hij door de Houwings/Huisings goed genoeg wordt bevonden om met Harmtien erve Oldenhuising over te nemen. Natuurlijk zien de Zuidbargers liever een dorpsgenoot als bewoner, maar blijkbaar is er niemand voorhanden die aan de eisen voldoet.

 

Het boek Verleden Verlicht. 650 jaar wel en wee van de inwoners van Zuidbarge.

Freerk en Harmtien worden de opvolgers van de vrijgezel Geert Oldenhuisinge die in 1775 is overleden. Het bezit komt via haar moeder Annigje bij Harmtien terecht, inderdaad ingewikkeld. Als je het precies wil weten dan adviseer ik je het boek ‘Het Verleden Verlicht’ van Ton Reuvekamp te gaan lezen. Het gaat over 650 jaar wel en wee van de inwoners van Zuidbarge. Een prachtig boek met veel illustraties.

 

Freerk en Harmtien of Harmtien wordt soms ook geschreven als Harmentien. Let er wel op dat het accent op de eerste lettergreep komt te liggen als je het uitspreekt, dus Hàrmtien , evenals Fènnechien, Aàltien en Jàntien. Een beetje rekken maakt het nog echter: Jàantien, Hàarmtien. In elk geval geen modieus: Harmtìen, met het accent op de laatste lettergreep. Zo doen wij Drenten dat niet.

 

Er is ook een vaste schrijfwijze, maar dat weten we al van de vele varianten binnen de familienaam Huising. Ieder schrijft het op zijn eigen manier.

Het boerenwerk

Zoals op de meeste Drentse boerderijen hebben Freerk en Harmtien een gemengd bedrijf. Ze hebben koeien die ’s zomers in de groenlanden langs de beek grazen en schapen die onder leiding van de scheper en zijn honden overdag op de uitgestrekte heidevelden hun voedsel vinden. Er zijn uiteraard ook nog de varkens, kippen en bijen Er zijn maaivelden waar met de zeis, de zende, het gras wordt gemaaid om de beesten ’s winters van voedsel te voorzien. In het najaar worden de akkers geploegd om er winterproducten als knollen en spurrie op te verbouwen. In het voorjaar gaan de pootaardappelen de grond in en wordt de rogge ingezaaid. In augustus wordt het koren geoogst om na droging het kaf van het koren te scheiden. ’s Winters wordt het koren op de deel gedorst met de vlegel. Voor dit alles is veel man- en vrouwkracht nodig. Elk lid van het gezin heeft hierin zijn taak.

Hierbij hoort ook Jan Pauls, de oudere ongetrouwde broer van Freerk. Mogelijk is onze stamvader Jan naar hem genoemd.

 

Achterkant van de boerderij ca 75 jaar geleden. © Piet Borghardt.

 

Belasting

Dan zijn er nog de paarden, die onontbeerlijk zijn op een groot boerenbedrijf. Het Huisinge-erf telt er vier stuks. In een vorig hoofdstuk (generatie 4) is er al op gewezen dat het aantal paarden ook een andere betekenis heeft dan het aantal paardenkrachten. Als iemand 4 paarden heeft waarmee hij de es op gaat, dan betekent het ook dat hij een groot huis en erf heeft en wordt hij voor ‘vol’ aangeslagen. De term voor de belasting is ‘haardstedengeld’, dat wil zeggen hoe meer haardplaatsen in de woning zijn, hoe meer belasting iemand moet betalen. Deze manier van berekenen is tegenwoordige al lang voorbij.

 

Rietlandenstraat 74,75 (hedendaagse plaatsbepaling). © Piet Borghardt.

 

Hierbij het overzicht van de haardstedengelden uit het jaar 1764. Frerik (Freek), nu eens geschreven als Vrerik, wordt aangeslagen als volle boer en moet 4 gulden betalen. Ook op de lijst staat ene Jan Huisinge en de weduwe van Lubbert Huisinge, vermoedelijk geen directe familie.

 

 

Haardstedengeld voor de verschillende bewoners van Zuidbarge, waarin Freerk wordt aangeslagen voor fl 4,-

 

 

Een schuldbekentenis

Dwalend in het archief te Assen kom ik een acte uit het Schultegerecht van Emmen tegen, waarin beschreven wordt dat Freerk en Harmtien een bedrag van 75 Caroli Gulden lenen aan het echtpaar Wanders.

 

Schuldbekentenis uit het Schultegerecht van Emmen, waarin beschreven wordt dat Freerk en Harmtien een bedrag van 75 Caroli Gulden lenen aan het echtpaar Wanders.

 

 

Tegenwoordig gaan we voor iets dergelijks naar de notaris, maar tot 1811 behoort dat tot het werk van de Schulte, een door de overheid benoemde streekfunctionaris. Hieronder de transcriptie:

De laatste datum 3 juni 1768 slaat op de afronding. Roelof Wanders heeft de lening met rente terugbetaald.

 

 

Transcriptie van de schuldbekentenis uit het Schultegerecht van Emmen, waarin beschreven wordt dat Freerk en Harmtien een bedrag van 75 Caroli Gulden lenen aan het echtpaar Wanders. (Uit: Register van acten van vrijwillige rechtspraak geregistreerd door de Schulte. Achief Schulterechten 72.2, folio 265.

 

 

Het overlijden van Freerk

Freerk overlijdt als hij 62 jaar is. Hij wordt op het kerkhof bij de kerk in Emmen begraven op 14 februari 1776.

 

De aantekening van het overlijden van Freerk Huising op 14 februari 1776 te Zuidbarge.

 

Als Freerk sterft worden meteen de directe buren, de ‘noaste noabers’ [3] gewaarschuwd, ook al is het midden in de nacht. Zij weten wat hun te doen staat, want iedereen kent de ongeschreven regels wat te doen als iemand is gestorven. De twee buurmannen leggen hem af. Het lichaam wordt bedekt met een zogenaamd ‘hennekleed’, het doodskleed dat al vanaf hun huwelijk opgerold in het kabinet ligt. Zo is de traditie. Dat geldt ook voor het laten maken van de kist. In iedere woning liggen de eikenhouten planken voor de doodskist al klaar op de balken van de deel. De noabers weten dat daarvan een kist moet worden getimmerd. De overige buren en andere kennissen in het dorp worden vervolgens ingelicht.

 

Niet alleen in het dorp zelf, ook de familie en vrienden in o.a.  Westenesch, Emmen, Weerdinge en Odoorn. Het zal dus enige dagen geduurd hebben voor iedereen op de hoogte is. De dominee wordt natuurlijk ook gewaarschuwd en de kerkklok wordt geluid. Op de dag van de begrafenis zorgen de buurvrouwen ervoor dat de kraantjespotten gevuld zijn en de schalen gevuld met koek om de genodigden gastvrij te ontvangen. De kist wordt op de met vier paarden bespannen wagen gezet, met enige vrouwen uit de directe familie op de kar als begeleiding. Het bezoek volgt te voet.

 

Aangekomen op het kerkhof laten de buren de kist in het graf zakken en de dominee houdt een toespraak. Ieder gaat mee terug naar het sterfhuis. Daar staat een begrafenismaal, het ‘groevemaol’, klaar en elke gast kan aanschuiven. De familie in de woonkamer, de overige gasten op de deel. In de deuropening gaat dominee voor in gebed. Zoals traditie is, een zeer uitgebreide maaltijd, kapucijners met worst, aardappelen met vlees, rijstebrij met boter en suiker als dessert. En, bier zoveel men wil. Wat overblijft is voor de armlastigen en zo heeft iedereen zijn buik vol. De buurvrouwen zorgen ervoor dat na afloop alles keurig wordt schoongemaakt en opgeruimd.

Harmtien is 51 jaar oud als haar man overlijdt. Zij zet het bedrijf voort, samen met de oudste zoon Willem die bij vaders overlijden 27 jaar is. Jan, onze Jan, is nog maar 10. Hij zal nog 20 jaar zijn bijdrage op de boerderij leveren, tot hij in 1798 naar Westenesch verhuist om met Fennigje te trouwen (zie generatie 4).

 

Met het sterven van Freerk zijn we op het eind van onze patriarchale (mannelijke) lijn. Zijn vader heet Paul en zijn grootvader van vaderskant vermoedelijk Willem en hij komt ook uit Odoorn, maar dat is het dan. De oudere informatie ontbreekt, omdat de kerkelijke protocollen van Odoorn, vermoedelijk door brand, lang geleden zijn verdwenen.

     

 

 

De oude kerk van Emmen.

 

 

 

Gerelateerde artikelen:
Generatie 1: Het levensverhaal van Geert Huising en Pietertje Thedinga

Generatie 2: Het levensverhaal van Het levensverhaal van Jan Huising van Meijering en Jantien Zwiers

Generatie 3: Het levensverhaal van Geert Huising van Meijering en Aaltien Reinders.
Generatie 4: Het levensverhaal van Jan Huising Meijering en Fennigje Meijering
Generatie 5: Het levensverhaal van Freerk Pauls Oldenhuisinge en Harmtien Houwinge (dit artikel)
Generatie 6: Het levensverhaal van Geert Houwing en Annigjen Jacobs Huijsinge.

 

 

 

Noten, bronnen en literatuur:


1.De oorspronkelijke tekst is van ©Piet Borghardt, borghardt@hetnet.nl
Deze tekst is voor NZD bewerkt en aangevuld door de webmaster
2. Bargermeer. Zie het artikel over ‘Het Bargermeer vroeger en nu’.
3. Noaberschop (Twents) of naoberschap (Achterhoeks, Drents en Sallands) (Nederlands: nabuurschap) is een kleine, overwegend agrarische, gemeenschap van noabers (buren). Iedere buur heeft in het noaberschap een zogenaamde noaberplicht. Dit is de (morele) plicht de andere noabers desgewenst met raad en daad bij te staan. Vanouds is het een heel ruime en intensieve vorm van burenhulp, die onontbeerlijk is geweest voor de bewoners van boerderijen en in dorpen die niet kunnen rekenen op goede openbare voorzieningen. Het is vooral een begrip dat bekend is in de Achterhoek, Twente en andere delen van Overijssel, in Drenthe, Groningen, maar is evenzeer in het westen van Duitsland te vinden (Grafschaft Bentheim en omgeving). Daarnaast heb je ook vaak de ‘noaste noaber’, ook wel de eerste noaber. Dat is doorgaans de meest nabije buur. Dit is meestal diegene aan wiens kant jouw voordeur zit. Deze noaste noaber heeft een nog sterkere noaberplicht. Deze buur verzorgt jouw planten, post en soms zelfs je huisdieren als je op vakantie bent. Ook ondersteunt hij of zij in kleine zaken bij ziekte en bij overlijden en verzorgt of regelt hij uit naam van alle noabers voor een fruitmand, rouwkrans, ooievaar, Abraham, Sara, huwelijksboog of meiboom.

 

 

 

 

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed.
Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen.........

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 28 maart 2021.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top