Het West-Indisch Huis in de Munnekeholm Hoofdkwartier van de Kamer van Stad en Lande. Op de achtergrond het Aduardergasthuis. Abeelding: Jan Bulthuis (1750-1801)

Het West-Indisch Huis in de Munnekeholm Hoofdkwartier van de Kamer van Stad en Lande. Op de achtergrond het Aduardergasthuis. Abeelding: Jan Bulthuis (1750-1801). Vervaardiging: 1786 Bron: Gronger Museum. Foto: Wikipedia Commons. Licentie: Public Domain.

 

Op 3 juni van dit jaar is het 400 jaar geleden dat de Groninger betrokkenheid bij de internationale slavenhandel is begonnen. Die leidt er uiteindelijk toe dat Groningers zo'n 30.000 slaven, méér dan een Euroborg vol, van Afrika naar Amerika hebben verscheept... En, het lijkt erop dat er ook een aantal in Groningerland zijn achtergebleden. Op 3 juni 1621 wordt namelijk de WIC, de West-Indische Compagnie, opgericht. Groningers zijn met een eigen 'kamer' groot aandeelhouder in de WIC geweest. Dat is niets op trots op te zijn, maar we moeten niet vergeten dat het toen een heel andere tijd is geweest. Wie weet wat ze over 400 jaar van Nederland anno NU zullen zeggen...

 

Groningen waagt de stap naar de WIC

De beroemde VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie uit 1602 is een groot succes, maar Groningers balen; zij zijn geen aandeelhouder van dit bedrijf. Als er in 1621 een West-Indische Compagnie wordt opgericht, wil Groningen hoe dan ook aandeelhouder worden. Dit om aansluiting te krijgen bij de Atlantische handel, waar vooral de Zeeuwen en Hollanders actief in zijn.

 

Sint Eustatius: Slavenboei uit 1848.

Sint Eustatius: Slavenboei uit 1848.

 

Investeren in de WIC en daarmee de slavenhandel

Dankzij de nodige druk lukt dat ook. Er komt een 'Kamer van Stad en Lande', gelegen aan de Munnekeholm en de West-Indische Opslag komt aan de huidige Reitemakersrijge[1]. De adel uit de ommelanden, rijke burgers, de provincie en de stad Groningen investeren een 800.000 gulden en zijn een negende deel aandeelhouder van de WIC. Dat geld lijkt niet veel voor een dergelijke grote onderneming, rekenen we dat bedrag echter om naar de huidige tijd, dan is dat maar liefst tien miljoen euro!

 

Groningse jonkers en kooplieden beschouwen Kamer Stad en Lande als basis voor de welvaart en prestige van de provincie Groningen. Maar de leden van Kamer Stad en Lande zijn, zoals zo vaak in de geschiedenis van Groningen, verdeeld in twee machtsblokken; die van de Stad Groningen en die van de Ommelanden. Bij de vraag naar de meest geschikte havenplaats voor de Kamer, gunnen de Stadjers de Ommelanders geen handelshaven in Delfzijl. Ook bij de stemming van een afgezant van de Kamer voor het centrale bestuur voert het eigenbelang vaak de boventoon. Ondanks de interne verdeling krijgt de Kamer Stad en Lande een sturende rol in de trans-Atlantische slavenhandel en de slavernij in de koloniën.

 

Een slavenmarkt in Suriname. Illustratie P.J. Benoit in ‘Voyage à Surinam’, 1839. De 19e augustus 1762 is op het slavenschip d’ Eenigheid een gedenkwaardige dag. Op twee veilingen en ‘uit de hand’ worden 142 slaven verkocht. Er zijn dan ‘nog maar’ twee slaven aan boord. Eén vrouslaaf, die al een week ernstig ziek is, overlijdt op deze verder zo succesvolle dag. Een andere, die net een kind ter wereld heeft gebracht, kan daardoor kennelijk niet naar de veiling en wordt de volgende dag uit de hand verkocht. De kraamvrouw met haar kindt brengen 275 gulden op. Alle slaven zijn opeens verdwenen.

Een slavenmarkt in Suriname. Illustratie P.J. Benoit in ‘Voyage à Surinam’, 1839. De 19e augustus 1762 is op het slavenschip d’ Eenigheid een gedenkwaardige dag. Op twee veilingen en ‘uit de hand’ worden 142 slaven verkocht. Er zijn dan ‘nog maar’ twee slaven aan boord. Eén vrouslaaf, die al een week ernstig ziek is, overlijdt op deze verder zo succesvolle dag. Een andere, die net een kind ter wereld heeft gebracht, kan daardoor kennelijk niet naar de veiling en wordt de volgende dag uit de hand verkocht. De kraamvrouw met haar kindt brengen 275 gulden op. Alle slaven zijn opeens verdwenen.

 

Een 'zwarte', levend aan zijn ribben opgehangen, door Cristoforo dall'Acqua in Viaggio al Surinam, 1818. Vertaling van Narrative, of a five years' expedition, against the Revolted Negroes of Surinam van John Gabriël Stedman uit 1796.

Een 'zwarte', levend aan zijn ribben opgehangen, door Cristoforo dall'Acqua in Viaggio al Surinam, 1818. Vertaling van Narrative, of a five years' expedition, against the Revolted Negroes of Surinam van John Gabriël Stedman uit 1796.

 

Het boek is vooral door de illustraties belangrijk in de vroege fase van het abolitionisme. Auteur: William Blake (1757-1827). Bron: Wiki Commons. Licentie: Public Domain.

 

Handel, oorlog en piraterij

Op zich is de WIC een slim idee geweest. De eerste jaren zijn ook heel succesvol. Nederland is verwikkeld in de tachtigjarige oorlog met de Spanjaarden en als handelsbedrijf gaat de WIC met Spanje concurreren in Noord- en Zuid-Amerika. En omdat de WIC vergunning heeft om oorlog te voeren, mag het ook vijandelijke schepen aanvallen.

In totaal worden maar liefst 547 vijandelijke schepen veroverd, waaronder de beroemde Zilvervloot. Dat brengt flink wat geld in het laatje. Als er in 1648 vrede met Spanje komt, is het gedaan met deze winstgevende roverij.

 

Een poging om Brazilië te veroveren heeft bovendien zo veel geld gekost, dat de WIC in 1674 failliet gaat. Een jaar later wordt er een tweede WIC opgericht. Die gaat zich alleen met handel bezig houden.

 

De Groninger slavenhandel

Deze Tweede - of Nieuwe - West-Indische Compagnie houdt zich onder andere bezig met de handel in goud, ivoor en slaven. In totaal varen er tot het tweede faillissement in 1792 zo'n 338 schepen voor de WIC naar Afrika om daar slaven te kopen. Die schepen vervoeren samen zo'n 275.000 slaven. Iets waar we nu niet meer trots op zijn en waarom er ook jarenlang niet over is gepraat.

 

De Kamer van Stad en Lande is voor een negende aandeelhouder en mag dus ieder negende schip dat naar Afrika vaart uitrusten. Met wat rekenwerk komt het er dan op uit de Groninger kamer van de WIC zo'n 30.000 Afrikanen als slaaf naar Amerika heeft gebracht. Een hoeveelheid waar nooit iemand bij stil staat.

 

De boekhouding gaat in vlammen op

Is Groningen er rijk van geworden? Nee. Niet echt. De boekhouding van de Kamer van Stad en Lande is na het tweede faillissement in 1792 door de laatste directeur mee naar huis genomen en tijdens een strenge winter in de kachel opgestookt. Het is dus niet meer goed na te gaan wat de WIC heeft verdiend, maar uit de boekhouding van een vrijwel identiek bedrijf, de ‘Middelburgse Commercie Compagnie’, die wel bewaard is gebleven, blijkt dat de opbrengsten naar onze huidige maatstaven nogal tegen zijn gevallen, namelijk ongeveer 45 procent van de reizen is geëindigd met verlies of men draait net quitte. Hoge winsten, grote verliezen.

 

Een cheque voor 3200 gulden compensatie bij de afschaffing van de slavernij op Sint Eustatius in 1863.

Een cheque voor 3200 gulden compensatie bij de afschaffing van de slavernij op Sint Eustatius in 1863.

 

Thomas van Seeratt

Soms heeft men een 'goede' reis gemaakt. In 1715 bijvoorbeeld. Dan stuurt de kamer van Stad en Lande het schip 'De Nieuwe Post' onder kapitein Thomas van Seeratt naar Elmina in Afrika om slaven te kopen. Van Seeratt maakt voor de kust van Afrika een illegale slavenhandelaar buit en tijdens de overtocht gaan er maar weinig slaven dood. In totaal verkoopt van Seeratt 707 slaven op Curaçao, waarvan hij er maar 522 heeft betaald. Dat is mooi verdienen… In een afzonderlijk artikel vertellen we nader over Thomas van Seeratt.

 

Geldelijk gewin

Hoeveel de slavernij op de plantages in de koloniën van de West-Indische Compagnie in geld heeft opgeleverd, is moeilijk te zeggen. Enkele cijfers over de winst en dividenduitkering van Kamer Stad en Lande zijn bekend. Maar in veel gevallen is deelname aan de organisatie van de WIC en de ‘Kamer Stad en Lande’ niet alleen een kwestie van financiële investering, maar ook een kwestie van prestige. De WIC biedt veel handelscontacten en een goed sociaal netwerk. Zo heeft de WIC jongens uit de middenklasse een goede mogelijkheid geboden om carrière te maken. Daarnaast kan Groningen van de slavenhandel en slavernij profiteren in veel bredere zin dan opbrengsten via de Kamer Stad en Lande.

 

De schepen die in opdracht van Kamer Stad en Lande zijn gemaakt brengen veel bedrijvigheid met zich mee. Op scheepswerven vinden timmerlieden werk, in smederijen worden ankerkettingen en boeien vervaardigd en kruideniers, bakkers en slagers leveren voedsel en drank aan schepen. De welgestelde Adriaan Trip (1620-1684) wordt bijvoorbeeld steenrijk door de handel in hout, wapens, ijzer en koper waarmee zeeschepen voor de VOC en de WIC zijn gebouwd. Omgekeerd vinden de West-Indische producten als suiker, koffie, cacao, tabak en katoen een belangrijke afzetmarkt in Groningen. In de negentiende eeuw telt de Stad bijvoorbeeld 28 tabaksfabrieken. Zo blijft het overzeese systeem van uitbuiting en slavernij rendabel, mede dankzij de Groningse afzetmarkt.

 

554.000 slaven verhandeld

In totaal hebben Nederlandse handelaren dus zo'n 554.000 slaven vervoerd. Ongeveer de helft daarvan, 275.000, komt voor rekening van de WIC, de andere helft wordt door Zeeuwse slavenschepen vervoerd. Een negende van 275.000 is 30.555. Dit is een theoretische en conservatieve schatting.

 

Twee jaar eerder is Van Seeratt's schip op de heenreis echter al vergaan. Zo worden hoge winsten afgewisseld met grote verliezen. Wat over de lange termijn overblijft, is een kleine winst die, achteraf gezien, niet opweegt tegen de onvoorstelbare ellende die deze slavenhandel met zich mee heeft gebracht.

 

Een slavenboei, vermoedelijk afkomstig van de plantage Overtoom aan de rivier de Para in Suriname. Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 zijn er nog 193 slaven op deze plantage

Een slavenboei, vermoedelijk afkomstig van de plantage Overtoom aan de rivier de Para in Suriname. Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 zijn er nog 193 slaven op deze plantage. Bron: Collectie Rijksmuseum.

 

Een Afrikaan als borgheer

Voor één van de ‘gevangen slaven’, wordt het niet kommer en kwel. Een West-Afrikaan die het schopt tot borgheer in de Ommelanden. Het lijkt erg onwaarschijnlijk. Toch is de borgheer van de Onstaborg, Arij de Graaff (circa1730  - 1788), ter wereld gekomen in Elmina, aan de kust van Ghana. Hij is de zoon van Martinus de Graaff en de Ghanese vrouw Abenaba. Na de dood van zijn vader gaat Arij met een kapitein van de WIC naar Groningen. Op zijn zeventiende keert Arij terug naar Elmina als equipagemeester en krijgt twee kinderen bij de Ghanese vrouw Efiba. In 1763 keert hij met zijn kinderen weer terug naar de Nederlanden en trouwt hij met Gesina Barlinckhoff. Met zijn gezin gaat hij wonen op de Onstaborg in Wetsinge.

 

Louis Alons

Ook Louis Alons (1754/55-1831) wordt ver van Groningen geboren. Op Curaçao komt hij in aanraking met plantagehouders Cornelis Star Lichtevoorde en zijn vrouw Maria Kock. Zij beheren de plantage Rozentak tot 1768. Als ze daarna terugkeren naar Sappemeer, nemen ze twee 'zwarte bedienden' mee. Eén van hen is vrijwel zeker Louis Alons. Ze gaan wonen op Borg Welgelegen, waar Louis werkt als bediende en koerier. In zijn latere leven trouwt hij twee keer met een Groningse, waarbij hij wordt geregistreerd als 'een neger uit Curaçao'. Uit beide huwelijken worden kinderen geboren, waardoor de achternaam Alons nog steeds veelvuldig voorkomt in Groningen en de rest van Nederland.

 

Anna van Ewsum
uitsnede van het portret waar de 'moor' beter zichtbaar is
Afbeelding boven: Portret Anna van Ewsum, vrouwe van Nienoord, mogelijk ter gelegenheid van haar tweede huwelijk in 1665, geschilderd door Jan de Baen, met links een 'moor' die haar bedient. Daaronder een uitsnede van het portret waar de 'moor' beter zichtbaar is. Bron: National Museum of Fine Arts of Cuba. Licentie: Publik Domain.
Afbeelding van een morenhoofd in de schelpengrot van Nienoord bij Leek
Afbeelding van een morenhoofd in de schelpengrot van Nienoord bij Leek. Detail. Rijksmonument nr. 23977. Foto: C.S. Booms, 29 sept. 2009. Bron: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Licentie: Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International license.

 

Anna van Ewsum

Op een portret van Anna van Ewsum, een bewoonster van de borg Nienoord bij Leek, wordt ook de relatie van de WIC overduidelijk. We zien daar een kleine zwarte bediende aan haar rechterzijde. Opvallend is het dat Anna ten opzichte van de bediende erg groot is en dat haar blanke huid van hoofd en armen schril afsteekt tegen die van haar bediende.

 

Jonker Pabe Broersema

Jonker Pabe Broersema investeert destijds vijfduizend gulden, wat tegenwoordig gelijkstaat aan 57.000 euro, in de WIC. Het geld dat deze investering hem oplevert, is na zijn dood, zoals in zijn testament is bepaald, gebruikt voor het ondersteunen van armen, weeskinderen en weduwen in de regio.

 

De kerk en de armen van Zuidhorn krijgen bijvoorbeeld elk vijfhonderd gulden. We hebben het hier over geld dat is verdiend over de ruggen van slaven in West-Afrika en Midden- en Zuid-Amerika; geld dat zo zijn weg naar lokale liefdadigheidsinitiatieven vindt…..

 

Veel plekken herinneren aan het slavernijverleden

De borg Bijma in Faan, Nienoord in Leek, het prachtige praalgraf van de familie In- en Kniphuisen-van Ewsum in de kerk van Midwolde, het zijn allemaal voorbeelden van de weelde die is vergaard door te investeren in de WIC.

 

De ondernemingszin van de rijken, hier de jonkers, is groot geweest, ondanks het feit dat er ook veel gevaren zijn, maar het beleggen in een onderneming brengt nu eenmaal ook risico’s met zich mee. In die tijd is het normaal dat er wordt geïnvesteerd in het leed van mensen. In die tijd wordt het als normaal gezien dat er gehandeld wordt in slaven.

 

Schelpengrot

Wat betreft de borg Nienoord te Leek. Kunnen we inzake het slavernijverleden het volgende vertelellen.


Op het terrein van Nienoord vinden we de zogenaamde schelpengrot, die waarschijnlijk in 1704 is gebouwd. De schelpengrot is een tuinkoepel (rocaille) in de zuidelijke tuin van de voormalige borg op het landgoed. De binnenzijde is geheel bedekt met een mozaïek van schelpen en stenen. Rechts naast de ingang van de grot hangt een uit steen gehouwen hoofd dat toe wordt geschreven aan een zwarte bediende met de naam Adriaan. Binnenin de grot zijn nog twee 'morenkoppen' te ontdekken. De legende gaat dat deze tot slaaf gemaakten na een verre reis door de borgheer naar Nienoord gebracht zouden zijn om daar te werken. Zowel Adriaan als de andere twee 'moren' zouden op een dag een kind van de verdrinkingsdood gered hebben.

 

Als dank voor hun heldendaad krijgen zij van de borgbewoners hun vrijheid terug. Volgens het verhaal kiezen zij ervoor om op de borg te blijven werken. Het is niet meer na te gaan of dit verhaal over de 'moren' waar gebeurd is. Maar vanwege de overlevering van het verhaal en de aanwezigheid van de 'morenkoppen' in de schelpengrot kunnen we wel aannemen dat er zwarte bedienden op Nienoord aanwezig zijn geweest[2].

 

Hinckaertshuis in Groningen.
Hinckaertshuis in Groningen. Oorspronkelijk is dit een steenhuis geweest, dat aan het einde van de 13e eeuw is gebouwd. Foto: 1 juni 2020. Auteur: Zander Z. Rijksmonument nr. 18648. Licentie: Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported license. De naam verwijst naar Adriaen Hinckaert, een edelman uit de Zuidelijke Nederlanden, die in 1572 trouwt met Johanna de Mepsche (overl. 1596). Zij is een kleindochter van Johan de Mepsche van Meyma en Deetgen Huinga, van wie er ooit een groot gezinsportret in het Hinckaertshuis, en later in het Mepschengasthuis heeft gehangen.
Cornelis Star Numan (1807-1857), geh. met Octavia Cornelia Suzanna van Swinderen (1806-1896).


Cornelis Star Numan (1807-1857), geh. met Octavia Cornelia Suzanna van Swinderen (1806-1896).

Cornelis Star Numan (1807-1857), geh. met Octavia Cornelia Suzanna van Swinderen (1806-1896).

Cornelis Star Numan (1807-1857), geh. met Octavia Cornelia Suzanna van Swinderen (1806-1896).

De raad van de gemeente Groningen, in vergadering bijeen, op de dag voor Keti Koti; 30 juni 2021,

Constaterende dat:

• Groningen een belangrijke rol heeft gespeeld in de slavernijhandel, o.a. via haar eigen kamer “Stad en Lande’ 1 van de West-Indische Compagnie (WIC), en dat dit voor velen nog steeds een onderbelichte keerzijde is in het verleden van de stad en provincie Groningen;

• het stadsbestuur directe betrokkenheid2 had bij de slavernij, o.a. middels bestuursfuncties binnen de WIC en directe financieel belangen, de bouw van slavenschepen, het hebben van aandelen in suiker- of koffieplantages die bewerkt werden door slaven, etc.;

• regeringen, maar ook stadsbesturen, rechtsopvolgers zijn van voorgaande regeringen en stadsbesturen, en in die zin bevoegd om historisch onrecht te adresseren;

• iedere overheid, ook de huidige, heeft te maken met de erfenis van het slavernijverleden, en zich af en toe moeten verhouden tot deze donkere bladzijden uit haar verleden.

Overwegende dat:

• Er o.a. door de Groninger Archieven en de RuG3, onderzoek is gedaan naar het slavernijverleden van Groningen, inclusief de rol van het stadsbestuur en de Groningse kamer van het WIC maar dat nader onderzoek, waaronder de rol via de VOC, gewenst is;

• ons koloniale- en slavernijverleden doorwerkt in de hedendaagse samenleving en bijdraagt aan gevoelens van uitsluiting en mede de basis heeft gelegd voor racisme4;

• de regering tot nu toe heeft nagelaten excuses aan te bieden voor de rol van Nederland in de slavenhandel.

Verzoekt het college:

• Inzichtelijk te maken wat de rol van Groningen en in het bijzonder het stadsbestuur, is geweest met betrekking tot slavernij in de overzeese gebieden waar de WIC en VOC actief waren, te beoordelen of excuses mogelijk op zijn plaats zijn en dit ter overweging voor te leggen aan de raad;

• de sporen van dit verleden en daarmee de gedeelde geschiedenis van alle Groningers, ongeacht afkomst, zichtbaarder en toegankelijker te maken in overleg met reeds betrokken organisaties zoals b.v. Keti Koti Groningen, de RuG en de Groninger Archieven;

• aan te sluiten bij de lobby van grote steden om bij de Nederlandse regering te bepleiten haar excuses uit te spreken voor de overduidelijke rol van Nederland in o.a. de Trans-Atlantische slavernij en de slavernij in voormalig Nederlands-Indië.
Bron: Gemeenteraad van Groningen, 30 juni 2021.

 

Het Hinckaertshuis en de familie Star Numan, 19e eeuw

In een van de weinig overgebleven stenen huizen uit de middeleeuwen, het Hinckaertshuis, aan de Oude Kijk in ’t Jatstraat 6 te Groningen, hebben Cornelis Star Numan (1807-1857), zijn vrouw Octavia Cornelia Susanna van Swinderen (1806-1896) en hun kinderen gewoond. Zowel Octavia als Cornelis voelen zich aangesproken door het lot van de tot slaaf gemaakten in de Nederlandse koloniën.

 

Octavia Star Numan-van Swinderen steunt de 'Maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere heidensche bevolking in de kolonie Suriname', opgericht in 1828. Deze Maatschappij zamelt geld voor de protestantse zending onder de tot slaaf gemaakten in Suriname. In zijn colleges staats- en volkenrecht aan de faculteit der rechtsgeleerdheid veroordeelt haar echtgenoot Cornelis Star Numan de slavernij als 'een diepen toestand van vernedering' en 'miskenning van de werking van ‘de vrucht des arbeids'.

 

De hervormde Cornelis Star Numan meent dat de 'Christennatieën' het moeilijk op te lossen vraagstuk van hun voorvaderen hebben geërfd 'om arbeid van slavernij te bevrijden'. Nadat hij nogmaals heeft benadrukt hoezeer 'het eigendom van slaven op onregt berust', voegt hij daar echter als waarachtig rechtsgeleerde aan toe dat 'de eigenaars, die onder bescherming van de wet, niet zelden op hare aanmoediging en begunstiging, geld voor menschenwaar hebben betaald, bij eene latere wet aanspraak op schadeloosstelling hebben; omdat die wet vroegere de dwaling der voorgeslachten uitdrukken en het kwaad heeft gebaard.' Vanuit deze juridische benadering beschouwt Star Numan de compensatie van de slaveneigenaren als een onvervreemdbaar recht.

 

Cornelis Star Numan reageert afwijzend op de vraag van zijn Utrechtse studievrienden om redactielid te worden van het tijdschrift van de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij. Hoewel abonnee van het blad, uit hij bezwaar tegen de, in zijn ogen, beperkte gerichtheid van de Maatschappij op de afschaffing van de slavernij. Voor hem moet de oplossing van maatschappelijke problemen in een bredere samenhang benaderd worden [3].

 

De 'moor' van Pieterburen

In de Petruskerk in Pieterburen hangt een aantal indrukwekkende rouwborden. Eén daarvan is Diderick Sonoy, die in 1594 naar Pieterburen is verhuisd. Zijn dochter en schoonzoon wonen op borg Dijksterhuis. Diderick Sonoy is gouverneur van het Hollands Noorderkwartier en een overtuigd watergeus. Tot aan zijn dood in 1597 blijft hij vol overgave strijden tegen de Spanjaarden en zijn begrafenis wordt dan ook bijgewoond door graaf Willem Lodewijk, die dan stadhouder is van Groningen en Friesland. Als Diderick Sonoy na één van zijn reizen terugkeert naar Pieterburen, brengt hij een ‘moriaan’ met zich mee naar borg Dijksterhuis. Een ‘moor’ is een zwart persoon afkomstig uit Noord-Afrika. Deze jongeman is jarenlang Sonoy’s tot slaaf gemaakte bediende. Naar eigen zeggen is deze ‘moor’ trouwens een koningszoon in land van herkomst. Jammer genoeg is men in Pieterburen niet onder de indruk van deze koninklijke connecties. In de omgeving staatde bediende bekend als ‘Zwarte Pier’. ‘Zwarte Pier’ wordt de hoofdpersoon in een onvervalste crime passionel. Althans, zo lezen we dat in het boek 'Oorsprongh, begin en vervolgh der Nederlandsche oorlogen, beroerten ende borgerlijcke oneenicheyden' uit 1621, geschreven door Pieter Christiaenszoon Bor. Volgens Bor wordt de jongeman verliefd op het dienstmeisje van de borg. Haar voorkeur gaat echter uit naar de knecht. Sonoy’s bediende vergiftigt daarop het eten van de knecht, maar het dienstmeisje weet hem te redden. Dat valt niet in goede aarde, dus steekt ‘Zwarte Pier’ haar neer. Vervolgens grijpt hij een bijl en moet de knecht het alsnog ontgelden.

 

De dubbele moord komt de bediende duur te staan. Op 20 oktober 1596 wordt hij onthoofd, achter de dijk, even ten noorden van de borg. Het verhaal over ‘de moor van Pieterburen’ wordt ruim een kwart eeuw na de daadwerkelijke gebeurtenissen opgeschreven door Pieter Christiaenszoon Bor. In hoeverre het waar is, valt natuurlijk te betwijfelen. Maar het verhaal doet snel de rondte en is als een legende of volksverhaal aan borg Dijksterhuis blijven plakken. In de kamer waar de bediende de twee moorden heeft gepleegd, wordt met dodekop (rode verf) een vlek op vloer geverfd die toekomstige bewoners moet herinneren aan de moorden.

 

Een ander -ietwat spannender- verhaal wil, dat op de plek van de moorden een grote bloedvlek is ontstaan. Maar hoe men ook poetst, de vlek komt steeds terug. Hoe het ook zij, de kamer met de vlek komt bekend te staan als de ‘Morjaanenkamer’. Tot ver in de negentiende eeuw verklaren oudere omwonenden dat zij de vlek met eigen ogen hebben gezien. En ‘Zwarte Pier’? Volgens de overlevering heeft zijn geest nog eeuwenlang rondgewaard in de polders rondom het Dijksterhuis.

 

De slavernij wordt afgeschaft

In 1841 komt een felle tegenstander van slavernij, de Brit John Scoble, vanuit Groot-Brittannië naar Hotel de Doelen aan de Grote Markt in Groningen. In zijn toespraak pleit hij voor afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën. Onder de aanwezigen bevinden zich notabelen als officier van Justitie Wichers en raadsheer Feith. In zijn verslag over het bezoek noemt Scoble Groningen één van de voornaamste centra waar men zich tegen slavernij keert. 'Hij maakte dieper indruk, daar hij van alles, wat hij verhaalde, ooggetuige was geweest,' aldus de ‘Drentsche Courant’ in 1841. In de eerste helft van de negentiende eeuw wordt een groeiend aantal organisaties opgericht tegen slavernij. Samen vormen ze de abolitionistische beweging. Hoewel de West-Indische Compagnie in 1782 is afgeschaft, is slavernij nog altijd aanwezig in de koloniën.

 

Nadat Groot-Brittannië al in 1834 en Frankrijk in 1848 voor zijn gegaan, wordt in Nederland de slavernij pas in 1863 officieel afgeschaft. Slaveneigenaren krijgen daarbij 30 gulden per 'verloren' tot slaaf gemaakte ter compensatie. De vrijgelatenen zelf krijgen niets... Tientallen Groningers maken aanspraak op de compensatieregeling.


Na een lang conflict over de hoogte van de schadeloosstelling krijgen de ‘bezitters van slaven’ van de Nederlandse regering 300 gulden per vrijgelaten slaaf in Suriname. Daar zijn maar liefst 33.000 slaven vrijgelaten. Op de Nederlandse Antillen hebben 12.000 slaven hun vrijheid gekregen. De Nederlandse regering keert bijna 12 miljoen gulden uit aan de slavenhouders[4].

 

Op 1 juli 1863 wordt in Paramaribo het feest van de ‘gebroken ketenen’ of ‘Ketikoti’ gevierd. Schaduwkant van het feest is dat alle tot slaaf gemaakten nog tien jaar lang verplicht zijn geweest op de plantages te moeten blijven werken, tegen een schamele vergoeding.

 

Afschaffing van de slavernij in de Franse koloniën. - Schilderij van Auguste François Biard,1849

Afschaffing van de slavernij in de Franse koloniën. - Schilderij van Auguste François Biard,1849, via Wikimedia Commons.

 

Schamen, excuses, herdenking, een monument?

Wat moet je nu met deze kennis? Vrijwel niemand in Groningen is zich bewust van ons slavernijverleden. In steden als Amsterdam en Rotterdam speelt dat veel meer. Daar zijn onderzoeken geweest, worden monumenten geplaats en herdenkingen gehouden. In Groningen is het stil. Wat er nu moet gebeuren? Zeg het maar. Wel is er een slavernijmonument gekomen. In 2002 is er een dergelijk monument, gemaakt door Erwin de Vries, in het Oosterpark te Amsterdam geplaatst ter herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Nederlands Koninkrijk. Het beeld is van brons gemaakt en de sokkel is van beton. Ook staat in Amsterdam een Levensboom op het Surinameplein, ‘het Monument van Besef’ (2003), in Rotterdam staat in het Lloydkwartier een Slavernijmonument (2013), evenals in Middelburg waar het Zeeuws Slavernijmonument (2005) staat, gemaakt door Hedi Bogaers.

 

Nationaal Monument Slavernijverleden, Oosterpark, Amsterdam, Holland. Made by Erwin de Vries in 2002.

Nationaal Monument Slavernijverleden, Oosterpark, Amsterdam, Holland. Made by Erwin de Vries in 2002. Foto: Arthena. Licentie: GNU Free Documentation License, Version 1.2.

 

Moderne slavernij
Wie denkt dat de slavernij echt helemaal is verdwenen, heeft het mis. Nog steeds duiken er verhalen op van mensen die als slaaf worden behandeld. Dat is ook het geval rond 1930 als we het volgende in de krant lezen:

 

Het is een schande voor onze moderne mogendheden, dat er thans nog 5 millioen menschen in slavernij leven. De streken waar de slavernij thans nog bestaat zijn vooral Abessynië, Soedan, Arabië, Siërra Leone en Liberia. In Abessynië zijn er nog feodale-heeren, die 1500 slaven bezitten. leder jaar worden daar ongeveer 10.000 slaven op de publieke markt verkocht. In Soedan is de toestand niet veel beter. Eender voornaamste oorzaken van het steeds blijven staan van de slavernij is gelegen in het feit, dat de leer der Mohammedanen de slavernij als een wettig geoorloofde instelling beschouwt. In enkele Arabische steden wordt dan ook traditiegetrouw een slavenmarkt gehouden. Het lot der zgn. halve-slaven is ook diep-treurig. Langs de Perzische Golf wonen parelvisschers die gedwongen worden om hun kleeren en levensmiddelen tegen abnormaal dure prijzen te koopen, zoodat zij op den duur zelf verkocht worden om hun schuld te betalen. In Siërra Leone bestaan twee geheime genootschappen: Alligatoren en de Luipaarden, die met alle mogelijke dwang en machtsmiddelen de slavernij beschermen. In sommige koloniën is de slavernij moeilijk af te schaffen omdat de bevolking het zelf niet wil en omdat de macht en invloed van de stammenhoofden wordt afgemeten naar het aantal slaven. In Liberia, waar de Volkenbond een onderzoek liet instellen bleek, dat de slavernij een gevolg is van de daar bestaande regeeringsvorm. Daar leven nog 100.000 menschen in slavernij. In China bestaat nog de kinderslavernij. Kleine meisjes worden door de ouders verkocht en na 10 of 12 jaar komen ze meestal in een buitenlandsch bordeel terecht. Inde Britsche kolonie Hongkong zijn er wel 10.000 slachtoffers van dit onmenschelijk systeem van gewin’ [5].

 

Belangrijke opmerking:
In dit artikel komen o.a. de woorden 'zwarte', 'zwarten' en 'moor', 'moren', voor. Deze woorden zijn bewust tussen
' ' geplaatst. Het is beslist niet de bedoeling geweest om gebruikte woorden discriminerend weer te geven, maar wel te plaatsen in de tijd dat deze woorden zijn gebruikt. Derhalve staan ze tussen ' '.

 

 

Meer lezen:
Thomas van Seeratt, slavenhandelaar en weldoener

 

Extra:

Video: Lieuwe Jongsma, Lezing over Stad en Lande in de slavenhandel.

 

Database van vrijgelaten slaven en hun eigenaren:
De Surinaamse Slavenregisters in het Nationaal Archief


 

 

 

Noten, bronnen en referenties:

 

Noten:

1. Lutje Feith, Groninger Cultuurhuis; RHC GA.

2. Mapping Slavery, Groningen.

3. Mapping Slavery, Groningen.

4. Suriname nog steeds in de greep koloniaal verleden, De Waarheid, 02-07-1988.

5. De Limburger, 25-11-1930.

 

 

Bronnen en referenties:

1.Jhr. Prof. Dr. P.J van Winter, De Westindische compagnie ter kamer Stad en Lande
2. Margriet Fokken & Barbara Henkes, Sporen van het slavernijverleden in Groningen,
2. Database: SlaveVoyages.org.
3. RTV Noord, 3 juni 2021.
4. Het Verhaal van Groningen.

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven).Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de Disclaimer voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 23-11-2021.
Update: 25-11-2021.
Samenstelling: © Harm Hillinga.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top